Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/37

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

(17)

schen vieren het feest van alle de Heiligen, dan vergeeten zij ook niemand. – Wat is verstandiger?

Ook moet ik nog dit hier bij voegen, dat Gij het woord Gestel, hetwelk bij meer naamen van, Majorijsche Dorpen gevoegd word, niet moet uitspreeken, gelijk zeker ieder Hollander doen zou; Ge-stel, maar Ges-tel. Dit in het voorbijgaan.

Zoodra ik gegeeten had, verliet ik de Verëerers van St. Everlijn; ik spande mijne Apostel-paarden in, om op dezelve naar Tilburg te rijden. Ik was nog niet ver voordgespoed, of ik wierd door een rijdtuig, met twee paarden bespannen, ingehaald. 'Er zat een Heer in hetzelve, die mij, zoodra wij elkanderen gegroet hadden, vraagde, of hij mij ook met een plaatsjen kon dienen, wijl hij toch ruimte genoeg had. ik nam dit vriendlijk aanbod gereed aan, en plaatste mij nevens hem. – Eerst spraken wij over onverschillige zaaken, vervolgends verhaalde ik hem het oogmerk mijner reize; eindelijk wende ik het gesprek op de Roomsche Majorijënaars, en 'er viel de volgende woordenwisseling hoofdzaaklijk tusschen ons beiden voor:

De Onbekende. Gij kunt niet gelooven, welke bijgeloovigheid, en haat, en dweepzucht, en domheid 'er onder de Roomschen plaats heeft. – Ik belijde den Hervormden Godsdienst, doch schoon mij die Godsdienst liefde jegens allen leert, zoo kan ik nogthands, hoe gaarne ik ook wil, geen vriend van eenen Roomschgezinden meer weezen, – Mijn geheel hart komt hier

te-
B