Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/53

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

(33)

gaf dit gezegde aanleiding tot het volgend gesprek;

Ik. Waaröm bespot Gij deezen Jood over iets, dat zijn Godsdienst hem verbied te eeten? hebt, Gij recht hiertoe? of heeft hij U beledigd?

Hij. Hij is maar een Smous. – Hij is van dat volk, dat onzen Heer gekruist en bespogen heeft; hij is toch verdoemd, en wij moogen altijd eenen Smous daaröm voor den gek houden.

Ik. Even daaröm, als Gij dit denkt, moest Gij medelijden met hem hebben, en hem niet bespotten. Hoe zou het U bevallen, als ik U wegens uwen Godsdienst voor den zot hield?

Hij. Waaröm zijn de Smouzen zoo gek, dat zij geen spek eeten? zij weeten wel beter, en zouden het zoo wel lusten als wij.

Ik. Waaröm eet Gij op uwe Vastendagen ook geen spek of vleesch, dan zoudt Gij het ook wel lusten (uit zijne redeneering merkte ik eenen Roomschen bij mij te hebben).

Hij. Dit verbied onze H. Kerk, en als ik dan op een' Vastendag vleesch of spek at, dan deed ik eene doodzonde,

Ik. Als een Jood spek eet, dan zondigt hij ook tegen zijnen Godsdienst, tegen zijne Wet, en deeze verbood welëer zeer wijslijk het eeten van Varkensvleesch, omdat hetzelve ongezond is, vooräl in een warm Land, gelijk dat Land was, waarin outijds de Jooden woonden en die Wet gegeeven wierd.

Hij. Dat kan wel zijn; doch een Smous doet gek, want zijne Religie is afgeschaft, en de onze niet.

Ik
C