Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/66

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

(46)

1795., wijl men 'er zeer veele schoone Boomen uitgehakt heeft, enkel tot brandhout voor de Franschen; dit hout wierd, altemaal gekloofd zijnde, op karren naar 's Bosch, waar het Houtmagazijn in de Orthen- of Haven-kerk was, gebragt. – Keizer Karel V. plagt zich, als Baron van Kranendonk, dikwijls op evengemeld Kasteel op te houden, en men verhaalt, dat bij zulk eene gelegenheid het volgend geval met Hem voorviel:

Karel op zekeren dag hier op de jagt zijnde, dwaalde van zijne Hovelingen af, en kwam eindelijk bij eene Boeren-stulp; Hij verzocht den bewooner, dewijl het reeds avond en donker was, dat deeze Hem met eene lantaarn zou ten regte brengen, dit nam de Boer aan onder deeze voorwaarde: dat Hij dan ook den Keizer (hij kende Karel niet in persoon) zou zien; dit wierd beloofd, en men trok op weg. – De Boer vraagde, zoodra zij op weg waren den Keizer naar zijnen naam, en hij bekwam ten antwoord: deeze is Karel! de Boer maakte hiervan Kel, zijnde dit de Majorijsche verkorting van het woord Karel. Hierop verhaalde onze Boer aan den Keizer, dat hij een pleitgeding had met zijnen Buurman over een Varken, dat denzelven gebeeten had, terwijl hij zijn gevoeg deed; Hem tevens verzoekende, dat Hij bij den Keizer een goed woord wilde doen, dat alle verschillen mogten uit den weg geruimd worden. De Keizer verstond zijnen leidsman niet, en gaf hem dit te kennen, waaröp de Boer zijn verhaal op de

vol-