Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/70

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

(50)

verëerden en aanbaden. Ik wierd getroffen door de beschouwing van dit hemellicht in zijnen opgaanden glans en luister; mijne ziel verhief zich gevoelvol tot den Schepper aller dingen, de Bron der zegeningen; dankbre vreugdetraanen rolden over mijne wangen, en ik zeide bij mij zelven:

 "Eeuwig – eeuwig lof zij Gode!
 "Die door zijnen hemel-bode,
 "Door de Zon, die 't al verkwikt
 "Met haar koesterende straalen,
 "Alles weêr doet adem haalen
 "En nieuw leven ons beschikt[1]."

Hoe opgeruimd was mijn hart? – hoe aangenam deeze morgenwandeling! dan – genoeg. – Gij, mijn Vriend weet bij ondervinding, welk genoegen de beschouwing van Gods werken voor ons oplevert, laat mij dit dus niet verder gebrekkig (meer toch kan ik niet) voor U schetzen, maar liever overtreeden tot mijne Reize.

Mijn oogmerk was eerst, om van Budel over Maarheeze naar Zomeren te gaan, doch hoorende, dat mijn weg dan gedeeltlijk door de Peel zou loopen, en dus dat hij eenzaam, en nog daar te boven moeilijk om te vinden zou weezen, zoo veränderde ik van voornemen, en ik wan-

  1. De Denker, IV, Deel, No. 177. Bladz, 159.