Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/73

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

(53)

zal, weet ik niet, Gij zult derhalven nog wat geduld moeten hebben. – Vaarwel!

 Tweede Vervolg.

Nu ben ik te Asten. – Ik meende U uit Deurne te schrijven, doch het regenächtig weder verhinderde mij, om 'er heden naar toe te wandelen, ik gaa dus morgen, zo het weder mij zulks niet verbied, derwaards. – Van Heeze ging ik regt op Zomeren door eene heide, welke zich aan mijne beide zijden ontzaglijk ver uitstrekte. Dit Dorp is groot, doch de huizen liggen zeer verspreid; het heeft in voorige oorlogen zeer veel geleeden, want, zo de verhaalen niet liegen, bestond dit Dorp uit dertig wel bebouwde en wel bewoonde Straaten, en uit omtrent tien-duizend Inwooners; thans echter ziet men hier en daar maar een huis, en het getal der Ingezetenen is zeer verminderd. 'Er ligt nog een soort van een Oud Kasteel, de Donk genoemd, doch hetzelve heeft niet veel om het lijf. De Kerk is een net gebouw, staande een klein toorentjen op dezelve. Zomeren ligt aan de Peel, waar men ook Turf maakt, doch met dit onderscheid, dat men hier den Turf niet graaft, gelijk te Deurne, Asten en Bakel, uit ronde kuilen of putten, maar baggert even als in Holland. Men noemt deezen Turf gewoonlijk ter onderscheiding in de Majorij: bagger of Zomerschen bagger, hij is ook beter dan andere. – De andere word hier Klot genoemd.

As-
D3