Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/83

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 63 )

sedert het voorige jaar hier voorgevallen, vernomen, welke U verbaazen en tevens met veröntwaardiging vervullen zullen; doch eer ik U dat geval verhaal, moet ik eerst iets, dat mij thands door de herssenen vliegt, schrijven. Hier is het.

De Roomschen noemen hunne Priesters en Kloosterlingen met den algemeenen naam van Geestlijken, doch geheel verkeerd, want hoe kan een mensch, die uit vleesch en beenen bestaat geestlijk zijn, dit is eene tegenstrijdigheid, ten minsten zoo begrijp ik het, of Gij 'er ook zoo over denkt, weet ik niet, en dit is mij ook om het even. – Maar al verder. Hunne Priesters, of zoo als men gewoonlijk in de Majorij zegt: Pastoors, noemen zij waereldsche Geestlijken. – Al weêr eene tegenstrijdigheid, want waereldsch en geestlijk rijmt zich niet met elkaêr. – Doch wat zijn dan hunne Kloosterlingen? deeze bestempelt men met den naam van Klooster-Geestlijken, maar deezen titel onderscheid niet genoeg, want men zegt hier, als zich iemand in een Klooster begeeft: Hij is uit de waereld gegaan. – Mooi! snedig uitgedacht – ! Dan – zou men den naam van Geestlijken niet beter moogen afleiden hiervan, dat zij zich met hemelsche zaaken alleen moeten bezig houden. Ik wil niet langer over deezen naam twisten, want het is zeker dat de naam van Geestlijk geheel ten onrecht gebruikt word, om een' Leeräar van de eene of andere Gezindte aan te duiden. Het zij hoe het zij, de Roomsche Geestlijken (laat mij deezen naam maar gebruiken) bedrijven toch nog wel eens

vleesch-