Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/85

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 65 )

dat poeder door eenen Geneesheer onderzoeken, en dezelve verzekerde, dat slechts een tiende gedeelte van dat poeder in staat was, om eenen mensch in één enkel oogenblik naar de andere waereld te zenden, zulk een sterk vergift was hetzelve. Onze fijne geestlijke Kapucijn, dit alles verneemende, pakte stilletjens zijne biezen, begaf zich weder naar zijn Klooster te Velp, en wierd weder, schoon men aldaar ook reeds alles wist, aangenomen, even of 'er niets gebeurd ware. Deeze Kapucijn hoopte nog al meer misdaaden op zijne zonden: Hij beschuldigde ook eenen anderen zoogenoemden Geestlijken, welke zich thands op het Kasteel van Ekart (Ekart is een klein Dorpjen, niet ver beneeden Eindhoven en Woensel, aan de Dommel gelegen) bevind, als medepligtigen, schoon dezelve zijn Vriend was, aan zijne misdaad, denklijk, om zijne eigene schande en snoodheid te bedekken; doch de even gemelde Geestlijke liet daaröp, om zijne onschuld aan te toonen, bij herhaalde reizen eene bekendmaaking in de nieuwspapieren plaatzen, zijnde woordenlijk van den volgenden inhoud:

"Ik ondergeschreevene R. R. de Coehorn, woonächtig te Ekart, één uur van Eindhoven gelegen, vernomen hebbende, den agtsten Mai deezes jaars, als dat Wilhelm van den Weijenboom, geweezen Rector van de Latijnsche Schoolen in Helmond, mij den naam heeft gegeeven,

dat
E