Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/86

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 66 )

dat ik heb medegewerkt aan zijne Euveldaad; alzoo beroepe ik een ieder en hem, geweezen Rector voornoemd, om mij daarvan te overtuigen, want verklaare voor de geheele waereld, dat mij zulks altijd is onbekend geweest: vervolgends betuige, dat zoo wel ik, als andere eerlijke Lieden met hem bedroogen ben geweest.

 (was getekend)

 "R. R. de Coehorn

 "als boven."

Ware deeze Kapucijn een Hervormde geweest, hij ware gewis gepakt (naderhand is hij nog te Helmond geweest), en zeker door den Rechter naar verdiensten gestraft, doch nu is hij strafloos door de vingeren gezien. – Welk een onderscheid! en niets is toch zekerer dan dit, want men mag het als eenen stelregel, die thands in de Majorij doorgaat, aanneemen: "Een Roomschgezinde mag veele zaaken ongestraft verrichten, die een Geus niet zonder straf ten uitvoer mag brengen." – Doch stil! – ik zou misschien te veel zeggen. – Wat zegt Gij van dit geval, mijn Vriend! Deeze Kapucijn was zeker zoo openhartig niet als Pater Gardeau, een Priester te Parijs", van welken Prosper Marchant (ik ben dit verhaal aan den geleerden J. A. Unzer[1] verschuldigd)

ver-
  1. Naleezing van den Arts, I. Deel, Bladz, 55.