Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/90

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 70 )

geen achter in den tuin in een klein Boschjen zeer eigenaam verschoolen ligt, met leezen door. – Men heeft dan het gezicht over de Aa, welke in eenen regten loop, zoo ver men bijna zien kan, kabbelend op dit Koepeltjen aanstroomt; hier verdeelt deeze rivier zich in twee takken, welke aan beide zijden van den tuin stilletjens heen vloeiën, en zich weêr verder beneden bij eenen Watermolen veréénigen. – Hier zittende wenschte ik dikwijls om uw bijzijn. – Dikwerf dacht ik dan ook aan de woorden van J. J. Bellamij[1], en maakte dezelve dan geheel de mijne:

 "Ζo ik iets voor mij kon wenschen,
 "'t Zouden wis geen schatten zijn;
 "'k zou niet wenschen, om, bij Vorsten,
 "Gunsteling en Slaaf te zijn:
 "Neen! ik wensch me een stille wooning,
 "Aan een' groenen waterkant,
 "En een Boschjen, dat zijn schaduw,
 "Op mijn nedrig dak verspreid."

Het Park, het geen ik U reeds in het voorrgaande jaar leerde kennen, is ook mijne geliefkoosde wandelplaats. Hier zit ik dikmaals gansche uuren onder eenen boom te leezen. – Laatst was het een schoone morgen; om vier uuren stapte ik reeds naar het Park heen; de Landman begon reeds zijnen noesten arbeid; de vogeltjens fladderden reeds zingende door de boo-

men;
  1. Gezangen, Bladz: 77.