Naar inhoud springen

Pagina:Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad 1871 no 187.pdf/3

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

— Von Bismarck heeft aan den komponist der Wacht am Rhein, Carl Wilhelm, te Schmalkalden, 1000 thaler gezonden met de belofte van ieder jaar een dergelijke som uit ’s lands kas te zullen ontvangen

— De ontvangsten van onderscheidene protestantsche inrichtingen in Engeland hebben in het boekjaar 1870-1871 bedragen: Britsch en buitenl. bijbelgenootschap 96,643 p. st. De negen aanzienlijkste zendelinggenootschappen als het zend. gen. der Eng. kerk; het Wesleyaansche Gen.; het Londensch zend.-gen.; de maatschappij ter verbreiding van het evangelie; het Baptist zend.-gen.; de Moravische zending, het Zuid-Amerik. zend.-gen.; Eng. Presbyteriaansche zending; Turksch zend.-gen. 579,467 pond. Onderscheidene kleinere zendelinggenootschappen, vooral voor de zending onder Israël, ten getale van 101,173 pond. Achttien genootschappen voor inwendige zending 298,897 pond. Negen genootschappen ter bevordering van godsdienst-onderwijs in en buiten Engeland 51,017 pond, en eindelijk zes genootschappen van onderscheiden aard, als Traktaatgenootsch. Genootsch. voor de heiliging van den Zondag, enz. 24,898 pond. Te samen de belangrijke som van 1,152,095 pond of ƒ 13,825,140, waaronder niet gerekend zijn de ontvangst van 180,314 pond voor verkochte bijbels.



Allerlei.



*— Aan de Schans, nabij Leeuwarden is Zaterdagnacht het huis van een zadelmaker verbrand; een der kinderen is te nauwernood uit de vlammen gered.

— Door de rechtbank te Appingendam zijn eenige personen te ’t Zandt wonende, ieder tot drie dagen cellulaire gevangenisstraf veroordeeld, ter zake van samenspanning aan de zijde van werklieden, om gelijktijdig het werk te beletten of te doen staken, opgevolgd door begin van uitvoering.

— Te Sneek is een schipper gevankelijk binnengebracht, die in drift zijn dertienjarig kind over boord geschopt en verdronken heeft; zijn vrouw had zelve hem aangeklaagd.



WATERHOOGTE.

Mannheim 8 Juli 14 vt. 7 dm. Gev. 1 d.
Coblenz, 9 Juli 11 vt. 8 dm. Gev. 4 dm.
Keulen, 9 Juli 13 vt. 4 dm. Gev. 5 dm.
Vreeswijk, 9 Juli 3.75 El. + AP. 2.77 El. onder N. P. Gev. 19 dm.
Vreeswijk, 10 Juli 3.57 El. + AP. 2.95 El. onder N. P. Gev. 18 dm.



Beroemde namen.

Cartesianen in Utrecht.

I.

LAMBERTUS VELTHUYSEN.

Utrechts wapenschild is overdwars in twee, scherp gescheiden vakken verdeeld, rood en wit, als om een symbool te vormen van de beide uitersten, die daar steeds, in het staatkundige zoowel als in het godsdienstige, tegenover elkander stonden. Uit vroegere eeuwen komt ons voor den geest de bisschoppelijke oppermacht en daartegenover Utrechtsch burgerij, hare gemeentelijke vrijheden handhavende, een strijd zoo hardnekkig en tot zulk een uiterste volgehouden, dat de laatste bisschop zijn eigen oppergezag tegelijk niet de vrijheid der Utrechtsche poorters in de armen van een alverslindenden alleenheerscher deed ondergaan. In lateren tijd zien wij Utrecht geknot, en gebukt gaande onder stadhouderlijke overheersching, die gesteund werd door adelregeering en eene bekrompen aristokratie, totdat de eerste revolutionaire pogingen, nog vóór de Fransche revolutie, van Utrecht zijn uitgegaan. Hier verloren de roode republikeinen van 1787 den strijd door de overmacht der Pruisische bajonnetten; en in 1788 toonden onze witte Jakobijnen, door verbanningen, verbeurdverklaringen en het opleggen van zware boeten, dat zij het niet slechts op de volkomen onderdrukking, maar, kon het, op de uitroeiing hunner tegenpartij gemunt hadden. Kan men het dan wel aan een Valckenaer en andere hevigen of rooden van 1795, kwalijk nemen, dat zij soms den wensch uitten, alle Oranjelieden op hunne beurt uit het land te mogen zetten? — In het godsdienstige zien wij hetzelfde verschijnsel van scherpgeteekende kontrasten: wij zien een Huibert Duifhuis, den man van de kerk der toekomst — die verklaarde, dat God niet op het kleed zag, of dit zwart of wit is — en den dol ijverenden konsistoriaal Dathenus; wij zien daarop een Voetius zich hevig verzetten tegen de Cartesianen en allen die naar vooruitgang streefden. Wij zouden deze tegenstellingen tot in nog latere tijden kunnen vervolgen, zelfs tot in onzen tijd, waarin de wetenschap en de dogmatiek soms zou scherp tegenover elkander staan, maar de feiten zijn nog te versch, en wij kunnen dit aan den hedendaagschen lezer zelf overlaten.

Onder de boven bedoelde Cartesianen, waarvan wij er eenigen nader willen leeren kennen, behoort ook Velthuysen. De man, die dezen naam droeg, wordt thans in Utrecht even weinig genoemd en herdacht, als hij in zijn leven algemeen bekend en geacht was.
Lambertus Velthuysen was te Utrecht geboren in het jaar 1622. Zijne studiën waren veelomvattend; niets, wat tot zijne beschaving als wetenschappelijk man in den ruimsten zin kon bijdragen, versmaadde hij. Daarom voegde hij bij zijn eigen studievak, de geneeskunde, nog de beoefening der wijsbegeerte en der godgeleerdheid. Na zijne bevordering tot doctor in de medicijnen, zette hij zich als geneesheer in zijne geboortestad neder en oefende aldaar de praktijk uit. Doch in het jaar 1667 koos men den algemeen gewaardeerden man tot lid van de Vroedschap of het Collegie van Regenten en in de twee volgende jaren tot lid van het Collegie van Schepenen. Echter moesten, in het voor Utrecht zoo ongelukkige jaar 1674, hij en zijn broeder Werner Velthuysen, griffier der Staten van de provincie, met nog vele anderen, die voorstanders van Johan de Witt geweest waren, voor de overmacht der Oranje-partij wijken. Hij werd bij de regeeringsverandeing door den jeugdigen Willem III afgezet, als aristokraat en Wittiaan.
Als staatsman van het tooneel getreden, leefde hij voortaan slechts voor zijne praktijk en de wetenschap en deed zich nu als godgeleerde en wijsgeer tevens kennen. Dr. Velthuysen was niet onrechtzinnig, maar vol ijver tegen de kerkelijken, en deze wisten hem op allerlei wijzen, van den kansel en door heimelijke oorblazing, verdacht te maken. In de voorrede zijner Opuscula (II dn. Rotterd. 1680) heeft hij onverholen de akeligheid van die tijden en menschen afgeschilderd, misschien niet voorzichtig genoeg, maar zeker naar waarheid. — Het was vooral om zijn pastoraal en een ander werk over afgodsdienst en bijgeloof, dat hij door de predikanten is aangevallen, bij wie hij zeer gehaat was. In het jaar 1668 toch had hij, als kommissaris-politiek voor de Utrechtsche synode afgevaardigd zijnde, in die hoedanigheid het recht der overheid met betrekking tot het kerkelijke (circa sacra) ernstig gehandhaafd. In het volgende jaar 1669 had er een algemeene aanval tegen hem plaats. Al de kerkelijke klassen der Provincie leverden aan de Staten Provinciaal een klaagschrift in, waarbij zij die twee geschriften van Velthuyzen voor goddeloos en verwoestend voor de orde in de kerk verklaarden, en verlangden, dat de lezing en de verkoop dier boeken op openbaar gezag mochten verboden worden. Het blijkt echter niet, dat de Staten aan dit verzoek gevolg gegeven hebben; hetgeen niet te verwonderen is, als men bedenkt, dat de Staten, Velthuysen juist met het doel, om hunne rechten circa sacra te handhaven, hadden afgezonden. Dat hij evenwel van de kerkelijken nog al wat te lijden zal gehad hebben, is na dit alles vrij duidelijk.
De inhoud van het eerste deel zijner werkjes gaf geen aanleiding om Velthuysen’s orthodoxie in twijfel te trekken. Hij handelt daarin b. v. over de voldoening (satisfaktie), over de genade en de praedestinatie. Meer bedenkelijk komt een »Tractaat” voor over »het gebruik der Rede in zake van Godsdienst, bijzonder in de uitlegging der Heilige Schrift”, doch daar het gericht was tegen het beruchte boek van dr. L. Meijer te Amsterdam »Over de wijsbegeerte als uitlegster der schriftuur”, schijnt men er niet tegen opgekomen te zijn. Maar aanstoot gaf zijn bovengenoemd werk »over de pastoraal of over het predikambt”, gericht tegen hen, die de macht der herders van de gemeente onrechtmatig — en in strijd met de grond beginselen der reformatie — wilden uitbreiden.
Men ziet dus, dat Velthuyzen over het geheel vrij gematigd was; maar Velthuyzen was daarbij Cartesiaan en omhelsde dus de nieuwe wereldbeschouwing van Descartes, en dit was in het oog van sommigen, die in elke nieuwe beschouwing van dien aard den dood van het oude betreuren, een misdaad. Deze willen, of uit zucht tot gemak de oude grenzen, die men aan de waarheid willekeurig gesteld heeft, niet verzet hebben; of, gevoelen zich in de nieuwe wereldbeschouwing niet te huis, of willen in het algemeen alle onderzoek tegenhouden.
Het II. deel der Opuscula van Velthuyzen is geheel van wijsgeerigen inhoud en behelst eene ontvouwing van het Cartesiaansche stelsel en eene verdediging daarvan tegen den Leidschen predikant J. du Bois, ten betoge vooral, dat de Cartesiaansche philosophie niets strijdigs behelst met het woord Gods. — In de voorrede van een ander stuk, en wel van medischen inhoud, verdedigt hij zijn goeden naam tegen de smaadredenen door Gijsbert Voet en zijn zoon Paulus over hem in ruime mate uitgestort.
Velthuyzen zocht eerlijk de waarheid, en daarom had Spinoza eerbied voor hem en achtte hem als een oprecht, waarheidlievend man; hij noodigde hem zelfs in een brief uit hem schriftelijk zijne bezwaren tegen zijn beroemd Tractatus Theologico-Politicus (a. 1670) mede te deelen. Dit traktaat van Spinoza werd — in het voorbijgaand gezegd — door een alvertalenden Hollander, J. H. Glazemaker, onder den waarlijk ironischen titel van »de rechtzinnige Theologant of Godgeleerde Staatkunde” in het Nederlandsch overgebracht. Het blijkt niet, dat Velthuyzen aan Spinoza’s verlangen rechtstreeks voldaan heeft; de ware reden hiervan schijnt daaraan toe te schrijven, dat Velthuyzen, zich niet bij Spinoza’s stelsel kon aansluiten. In 1676, gaf hij een traktaat uit »over de natuurlijke schaamte en over de waardigheid van den mensch”, in hetwelk hij Spinoza, zonder hem evenwel te noemen, wederlegt en de gronden omverwerpt, waarop deze gemeend heeft te moeten stellen, dat al wat de mensch goeds of kwaads doet, het voortbrengsel is van eene hoogere en noodzakelijke werking van God en de natuur, waardoor, zoo beweerde Velthuyzen, de grondslag van alle zedelijkheid ondermijnd werd en alle toerekenbaarheid werd weggenomen. Dit noemde hij capitales errores, »doodelijke dwalingen.” De onderscheiding van Spinoza’s zijde was anders te grooter, daar de groote Benedictus van de menigte der tegen hem verschijnende geschriften in het algemeen oordeelde: »dat zij niet verdienden door hem beantwoord te worden” (omnes mihi indigni vist sunt, quibus responderem.) — Hij schreef hem: »er is niemand wiens redenen ik liever wilde overwegen, alzoo ik weet, dat gij alleen door zucht tot waarheid bezield zijt, en ik uwe bijzondere oprechtheid kenne.” — Zij hadden elkander persoonlijk leeren kennen en achten en vele wijsgeerige gesprekken gevoerd, hetzij bij gelegenheid dat Velthuyzen, evenals Spinoza, een aanhanger van de Witt en voorstander van het gezag der overheden over de kerk — om regeeringszaken in den Haag was, waar Spinoza woonde; hetzij deze kennismaking te Utrecht plaats vond, toen, bij de bezetting dier stad door de Franschen onder Lodewijk XIV, Spinoza op verzoek van Condé een tijd lang aldaar vertoefd heeft. Velthuysen zocht Spinoza op, ten einde zijne wijsgeerige denkbeelden nog nader uit hem zelven te vernemen. Maar uit de gevolgen blijkt, dat Velthuysen, hoezeer Cartesiaan als Spinoza, zich met diens bijzonder godsbegrip niet kon vereenigen; op den duur kwam hem dit verderfelijk (pestilent) voor, als ondermijnende het persoonlijk godsidée en daarmede ook de zedelijkheid.
Na den dood van Spinoza (in 1677) verscheen in 1680 de Ethica, het hoofdwerk van zijne pantheïstische methaphysiek, en tengevolge daarvan vond Velthuyzen zich nog meer genoopt een afkeurende stem te doen hooren: hij ververklaart zich in hetzelfde jaar bepaald tegen hem in een traktaat over de Natuurlijke godsdienst en over de oorsprong der Zedelijkheid.
Velthuyzen stierf in 1685 in den ouderdom van 63 jaren, door zijne tijdgenooten geprezen, niet alleen wegens zijne groote geleerdheid, zijn grondige en veelzijdige kennis en wetenschap, maar ook om zijn uitmuntend verstand, zijne braafheid, innemendheid en vaderlandsliefde.
Apr. 1871. t. B.



STATEN-GENERAAL



Tweede Kamer.

In de Zitting van Zaterdag 8 Juli 1871 is aan de orde het wetsontwerp tot bevordering van den aanvoer van vrije arbeiders in Suriname.
De min. van Koloniën verzoekt echter om, in verband met de verwerping van het Siak-traktaat, voor het oogenblik dit wetsontwerp niet te behandelen.
Dienovereenkomstig wordt besloten, waarop aan de orde is de wijziging van art. 7 der wet van 29 Juni 1854 (Eenzame opsluiting).
De heer van Zinnicq Bergmann had verlangd, dat ook de wet van 4 Juni 1851 zou zijn gewijzigd, om een bepaald stelsel van cellulaire gevangenisstraf te verkrijgen. Het amendement van den heer Gratama zal er een mengelmoes van maken. Spr. betoogt daarop, dat het stelsel van eenzame opsluiting in Belgie niet zoo goed is, als de heer Gratama beweert, en dat daar de Napoleontische wetgeving nog in vollen gang is. De Belgische rechter kan niet eens tot cellulaire gevangenisstraf veroordeelen; hij heeft alleen den dwangarbeid, die dan aan séparation onderworpen is. Daarop bestrijdt Spr. de wijze, waarop de min. de cellulaire straf wil toepassen. Deze wordt allengs regel, en dat moet niet. Waarom laat de min. nu de bepaling bestaan uit de wet van 1851, dat er bijzondere gevallen of omstandigheden moeten zijn, om de cellulaire straf toe te kunnen passen? Dat komt niet meer overeen met het tegenwoordige stelsel en met deze wet.
De hr. Gratama is een groot voorstander van eenzame opsluiting. Het amend. van Spr., om die straf ook tot het krimineele uit te breiden zal Spr. intrekken, om het beginsel dezer wet niet in gevaar te brengen, omdat bij aanneming daarvan niet voldoende cellen bestaan, omdat de min. later toch in dien geest een voorstel zal doen.
De hr. van Eck betreurt ook, dat aan de wet van 1851 niet de hand is gehouden. Daarom verheugt Spr. zich, dat de min. daarin verbetering wil brengen. De cellulaire gevangenen moeten min of meer als zieken beschouwd worden; bij hen moet de zedelijke verbetering op den voorgrond staan. Spr. acht het zeer wenschelijk, dat de cellulaire straf ook zal uitgebreid worden tot de gevallen van veroordeeling tot 5 jaren tuchthuisstraf. Daarmede behoeft men niet te wachten. In de, spoedig gereed komende gevangenis te Rotterdam is voldoende ruimte. Spr. vraagt ten slotte, of de min. niet bij de begrooting verklaard heeft, dat hij uitbreiding der eenzame opsluiting verlangde.
De hr. Saaijmans Vader vraagt, of men voortgaat met de statistiek betreffende de zedelijke verbetering der gevangenen. Spr. meent dit te mogen betwijfelen, omdat de min. heeft gezegd »cellulaire straf sluit de zedelijke verbetering niet uit.” — Op grond van eigen onderzoek dweept Spr. niet meer zooals vroeger met de cellulaire straf, en meent, dat men deze niet zonder voldoende zekerheid te bezitten mag uitbreiden. Wordt het doel, zedelijke verbetering, niet bereikt, dan moet men de straf niet uitbreiden. — Zou het ook niet beter zijn, om deze wet te laten wachten op een geheele herziening van ons strafstelsel?
De hr. van Lynden vraagt, of de min. ook eenige resultaten kan opgeven van de statistiek, door den vorigen Spr. bedoeld?
De heer van Loon zag tot zijn leedwezen dit wetsontwerp aan het einde der zitting behandelen, en tevens zoo weinig gegevens omtrent de cellulaire straf overleggen. Bij een zaak als deze mag men niet alleen afgaan op het subjektief gevoelen van den minister. Van deze wet toch kan een aanmerkelijke uitbreiding der straf het gevolg worden. Verwerping dezer wet zou alleen bedoelen, een verzoek van meerdere toelichting.
De heer Idzerda is voorstander van eenzame opsluiting, doch vestigt er de aandacht op, dat men vooral rekening houde van de gezondheid, leeftijd en lichamelijke ontwikkeling van den veroordeelde.
De Min. v. Just. heeft zijn subjektieve meening wellicht op den voorgrond gesteld, doch dan was dit, omdat jaren lange ondervinding de overtuiging diep bij hem wortel deed vatten. In bijzonderheden kan de min. niet treden, maar zeker is het, dat de grootste misdadiger door cellulaire straf nog tot inkeer komt. De wet van 1851 kan verbeterd worden, doch dit is niet dringend noodig; zij stelt de cellulaire straf niet als uitzondering. De Min. herhaalt voorts gaarne, dat hij wil voortgaan met uitbreiding der eenzame opsluiting. Dat de bezoeken bij de gevangenen oordeelkundig moeten geschieden, stemt de min. volkomen toe. Uitbreiding van het aantal cellen wordt door den min. beoogd. Hij zoekt naar grond; om daarop nog een nieuwe gevangenis te bouwen. Een overzicht te geven van de werking der cellulaire straf achtte de minister overbodig. De cirkulaire omtrent de statistieke opgaven heeft de minister gewijzigd. De invulling der tabel gaf geen waarborg en geen vruchten. Aan dergelijke statistieke opgaven ontzegt de min. alle waarde. Inderdaad moet zedelijke verbetering hoofdzaak zijn. Wordt dat doel door de eenzame opsluiting bereikt — en daarvan is de min. overtuigd — dan bewijst men daardoor een weldaad aan de maatschappij. Op het verzoek van den heer Idzerda zal men zooveel doenlijk letten. Na repliek komt art. 1 in behandeling.
De heer Gratama stelt — alleen om een stap vooruit te doen — voor, om de straf uit te breiden tot de gevallen van veroordeeling tot vijf jaren gevangenisstraf. Nadat de min. verklaard heeft met dezen maatregel liever te wachten tot de invoering van een nieuw strafwetboek, wordt het amend. verworpen, en daarop het wetsontwerp met 53 tegen 1 stem aangenomen.
Het wetsontwerp tot wijziging van hoofdst. IV. B der Staatsbegrooting dienst 1870, wordt daarop met algemeene stemmen aangenomen, waarna aan de orde is het wetsontwerp tot verlenging der werking van het Indisch tarief tot 1 Januari 1873.
De min. v. kolon. verontschuldigt de vertraging der nieuwe tabellen; het werk kost veel tijd. Behandeling vóór het a. s. voorjaar is niet waarschijnlijk; de min. raadt daarom af om den termijn korter te stellen.
De heer Fransen van de Putte meent, dat men geen uitstel had moeten voordragen, en vraagt, of de kamer in September zeker de nieuwe tarieven gereed zal vinden? Daarop dringt spr. sterk aan.
Nadat de min. heeft geantwoord, dat daartegen z. j. geen bezwaar bestaat, wordt het wetsontwerp met algemeene stemmen aangenomen.
Eenige konklusiën omtrent regeeringsbescheiden worden daarop aangenomen. De heer van Nispen verklaart zich tegen de konklusie van het rapport, betreffende de verrichtingen van het armbestuur over 1868. Daarop komt aan de orde het rapport van den overeenkomst betreffende de uitlevering van misdadigers tusschen Nederland en Italië.
De hr. van Eck verklaart zich tegen het dragen van de orde van de eikenkroon van Luxemburg, zonder dat men de vergunning des konings daartoe verkreeg. Spr. verlangt eerbiediging der wetten. Men maakt ons toch reeds te veel een met Luxemburg.
De Voorzitter meent, dat de heer van Eck, niet in de orde is en ziet het verband van diens rede met het traktaat niet in.
De hr. van Eck, antwoordt, dat de ambtenaar die het traktaat sloot, de Eikenkroon draagt.
De Voorzitter meent, dat de heer van Eck, met de bespreking van dat onderwerp afwijkt van het punt, dat aan de orde is. Wenscht hij dat te behandelen, dan zou de weg open staan om eene interpellatie in te stellen.
De heer van Eck is van een ander gevoelen, en zal geen gebruik maken van den raad des voorzitters, om dit punt in eene afzonderlijke interpellatie te behandelen, maar behaalt er zich toe de aandacht der regeering daarop te vestigen. Spr. oppert er voorts bedenking tegen, dat politieke misdadigers van de uitlevering zijn uitgesloten. Reeds in de kommissie heeft Spr. dat bezwaar geopperd. Toen zijn Spr.’s opmerkingen verworpen; maar intusschen zijn de onhebbelijkheden te Parijs uitgebroken en men heeft gezien, wat de Commune heeft gedaan. Spr meent alzoo, dat een brandstichter en moordenaar ook behoort te worden uitgeleverd, al heeft hij daarbij tevens staatkundige oogmerken gehad. Bij zulke misdaden heeft men te letten op de daad en niet op het doel.
De heer de Brauw weet niet bepaald, waarom de kommissie geen gewag heeft gemaakt van de opmerkingen van den heer van Eck. Spr. doet voorts uitkomen, dat dit traktaat geheel in overeenstemming is met andere traktaten van dien aard.
De Min. betoogt, dat de door den heer van Eck besproken uitzonderingsbepaling in overeenstemming is met het beginsel der wet van 1849. De Min. merkt daarbij echter op, dat misdadigers wel worden uitgeleverd, als zij, al is het dan ook met politieke oogmerken, misdaden hebben begaan, die daartoe aanleiding geven. Elk geval moet in dat opzicht op zichzelf beoordeeld worden.
Na repliek van den heer van Eck en dupliek van den Min. wordt de konklusie goedgekeurd.
Daarna werden nog eenige rapporten uitgebracht, waarna de vergadering overgaat in kommitee-generaal tot de behandeling der huishoudelijke begrooting der kamer.
Na de heropening der openbare zitting sluit de Voorzitter de vergadering tot nadere bijeenroeping.
In deze zitting is ingekomen een wetsontwerp regelende de invoering der Nederlandsche pharmacpea.



BUITENLAND.



Italie.

De burgemeester van Rome heeft de volgende proklamatie op 1 Juli doen aanplakken:
»Romeinen! nu is volkomen verwezenlijkt wat de voorzienigheid ons vaderland heeft toegedacht. Italië is één van de Alpen af tot den uithoek van Sicilië, en Romes stedemaagd herneemt haar plaats op het kapitool, getooid met de schitterendste kroon, die de hoofdsteden der natiën siert. Wij danken Italiës grootheid aan de geschriften van schrandere denkers, aan den volhardenden wil der zustersteden, aan het besluit van het Italiaansch parlement, aan de dapperheid des legers en aan den vooruitgang der beschaving in Europa, maar bovenal aan de vaderlandsliefde des konings, die rein is van weifelingen en nevenbedoelingen. Laat ons dan met erkentelijkheid en liefde hulde brengen aan de schrijvers, aan de Italianen van de andere steden, aan het parlement, aan het leger, en bovenal aan den grootmoedigen koning, wien de roemrijke taak te beurt viel, Italië weder op te richten en groot te maken. Romeinen! ontvangen wij koning Victor Emanuel niet met uitgelatenheid, maar met eene kalme vreugde, die opnieuw aan Europa bewijzen zal dat ons plebisciet, waardoor Rome met het koninkrijk Italië hereenigd is, geene onbezonnen opwelling noch een overijlde stap was. Rome, nu weder de hoofdstad van Italië, moet een steun voor de zaak der orde en der eendracht zijn, dat worde door ons steeds getoond, bij de kreten: leve Italië! leve de koning!”

Oostenrijk.

Over de bedoelingen der Poolsche partij geeft een harer leiders vorst Georg Czartoryski, de volgende duidelijke inlichtingen: »Het hoofddoel onzer politiek is en blijft Polen. Het tijdelijke doel — en zulk een tijdelijk doel blijft vaak gedurende geslachten bestaan — is Oostenrijk, zoo lang wij in Oostenrijk de voorwaarden van een ongehinderd bestaan vinden. Daarom is Oostenrijks kracht ons belang. Voor Oostenrijk is het regeeringssysteem dat het bevestigen kan, hoofdzaak. heze kwestie heeft geen nationaal karakter, maar een zuiver staatkundig en moet daarnaar behandeld worden. In politieke kwestiën helpt geen geduldig volhouden, een werkzaam handelen is noodig. In Oostenrijk zijn slechts twee groote partijen: die der centralisten en die der federalisten. Men behoeft slechts te kiezen en die keuze is niet moeielijk. Wij kunnen slechts een federatieve politiek volgen, want de herstelling van een onafhankelijk Polen blijft ons hoofddoel.

Engeland.

Ten gevolge van het besluit op de vergadering der liberale partij genomen, om niet met de oppositie mede te werken, om de aanneming der ballot bill te belemmeren, hebben de liberale leden, toen de heer Newdegate voorstelde de artikelsgewijze behandeling der ballot bill te staken en de algemeene diskussie te hervatten, meerendeels de zaal verlaten; des heeren Newdegate’s voorstel werd met 154 tegen 63 st. verworpen; vervolgens werd art. 1. aangenomen en is de diskussie over art. 2, betreffende de wijze van voordragen van kandidaten, begonnen. Een voorstel om de openlijke voordracht van kandidaten met al de ergerlijke tooneelen der hustings te behouden, is met 296 tegen 113 stemmen verworpen.

Nu er een groot Engelsch pantserschip, de Agincourt op de Pearl, een zeer gevaarlijke rots, eenige mijlen van Gibraltar, is vastgeraakt en slechts met moeite gered werd, dringen de dagbladen er op aan, dat daar een lichttoren opgericht zal worden. Tal van schepen zijn daar reeds vergaan.

Uit Versailles schrijft de verslaggever der Morning Post over de vooruitzichten en voornemens van de prinsen van Orleans. De taal der prinsen, zegt hij, is even eenvoudig en eerlijk, als wijs en vaderlandslievend. Zij allen zeggen, dat de belangen en de eer van Frankrijk voor alle andere zaken moeten gesteld worden. Het valt hun niet in, de verwikkelingen van het land, op welke wijze ook, te vermeerderen, door zich tot kandidaten tot den troon op te werpen. Zij zullen noch zelf kabalen smeden, noch hunne aanhangers veroorloven zulks te doen. Met vreugde zullen zij Frankrijk in het leger, de vloot en in de raadzaal dienen, tevreden, dat hun de terugkeer is veroorloofd. Voor ’t overige zullen zij de toekomst bedaard afwachten en zich in alle zaken aan de stem der natie onderwerpen. Thiers keurt deze politiek goed. Voor de zoogenaamde fusie bestaat nog steeds zeer weinig kans van slagen. Hendrik V gaat in wel onderrichte kringen voor zoo onmogelijk als ooit door.

Een korrespondent van de Standard geeft een lang verslag over een gesprek met Gambetta in Parijs. Op de vraag, waarom hij niet openlijk tegen de Commune is opgetreden, antwoordde Gambetta: Gij moet aan de positie denken, waarin ik den 5. Februari geplaatst was. Ik had mijn ontslag genomen en ging naar San Sebastian in Spanje, waar ik vijf maanden lang voor mijne gezondheid toefde, zonder mij om de buitenwereld te bekommeren. Ik had plan mij niet meer met de politiek in te laten en een industrie-loopbaan te kiezen. Toen las ik den 22. Maart in een Spaansch blad een bericht over den opstand in Parijs. Het is mijne overtuiging, dat die primitief aan Favre, Simon, Picard en Ferry te wijten is. Zij koesterden een bitteren wrok tegen Parijs, dat in Februari door het gering aantal stemmen zijne ontevredenheid met de regeering dezer heeren lucht had gegeven. Buiten staat om in eene moeielijke positie een goed resultaat te verkrijgen, trachtten deze onbezonnen staatslieden tot rustverstoringen aan te zetten, om gelegenheid te hebben een strijd der wraak tegen Parijs te voeren. De vernedering van Parijs was eene besloten zaak bij hen en zij sleepten Thiers met zich mede. Parijs werd door de regeering opgegeven en de Communalisten namen de teugels van het bewind op. Hoe konden zij verwachten, dat ik, die zoo ver weg was, aan die zaak zou deel nemen? Over de verkiezingen zegt Gambetta het volgende: Mijne verkiezing voor Parijs heeft mij tot groote voldoening gestrekt, als antwoord op alle lasteringen. En toch heeft zich geen enkel blad aan mijne zijde geplaatst. Ik heb 115,000 stemmen bekomen, ofschoon aan 60,000 mijner vroegere aanhangers onder de kiezers van Parijs het stemrecht ontnomen is. Buitendien zijn in de provincie vele mijner persoonlijke en staatkundige vrienden gekozen geworden. Mijn vroegere staatssekretaris, verscheidene, die onder mijne regering maires en prefekten waren, Faidherbe en Jaurés (beiden generaals, die ik benoemd heb) hebben allen eene meerderheid van stemmen bekomen. Dit bewijst, dat in Frankrijk nimmer een man veroordeeld wordt, omdat hij op de macht en de bestemming zijns volks vertrouwen stelt, en dat de republiek in Frankrijk vaster staat, dan men verwacht had. Wij zijn thans voornemens, den hoeksteen voor eene gematigde republiek die de veiligheid van het land zal zijn, te leggen. In den loop van ons gesprek, zoo gaat de berichtgever voort, openbaarde Gambetta mij vervolgens zijn programma voor de toekomst. Met jeugdige geestdrift en met onmiskenbare oprechtheid sprak hij van de hervormingen, die hij van plan was voor te slaan. Wij moeten Frankrijk tot een militairen staat maken, het landvolk onderwijs geven en de slagboomen trachten weg te nemen, die de onderscheidene klassen der maatschappij scheiden; alle partijen moeten hiertoe de hand leenen, en Frankrijks belang voor hunne kleine bijzondere belangen stellen. Ik verliet Gambetta met de overtuiging, dat hij over Thiers en Favre zeer ontevreden is, over de wijze, waarop zij de preliminairen van het vredesverdrag hebben afgedaan. Zijne woorden zullen dit spoedig openbaar maken.

De Parijsche korrrespondent van de Economist schreef ll. Donderdag: Ofschoon bij de verkiezingen de vrije handel, zooals men die Frankrijk opvat, (want werkelijk bestaat die daar niet) niet de aandacht trok, die hij verdiende, mogen wij verwachten, dat dit spoedig anders zal zijn. Reeds heeft Michel Chevalier den strijd geopend en men kan er zeker van zijn, dat hij vurig verdedigen zal, waarvoor hij zoo lang gekampt heeft. De rede waarmede hij in het collège de France zijn lessen opende, zal indruk maken, als hij in druk verschijnt en zijn artikel in het Journal des Débats zal Thiers, Pouyer-Quertier en allen, die slechts in beschermende rechten heil zien onaangenaam aandoen. Zijn kritiek is verpletterend. Hij bewijst, dat hoe meer men belastingen verlaagde, hoe grooter de opbrengst was; dat een menigte belastingen op kleinigheden veel slechter is dan matige belasting van belangrijke zaken. Als het Frankrijk niet aan gezond verstand ontbrak, zou het geheel met Michel Chevalier moeten instemmen. Hij keurt het het in het keizerrijk af, dat het in strijd met de beginselen, die het beweerde te volgen, aan den aandrang der protektionisten toegaf, op het punt van gedrukt katoen, ijzer voor machines en zeevisch. Reeds zijn te Lyon, Marseille, Havre en Bordeaux stemmen opgegaan, die tegen de verderfelijke ekonomische dwaling van Thiers en zijn minister protesteeren en het kan niet uitblijven, of de strijd tusschen vrijen handel en bescherming zal een der belangrijkste vragen van den dag worden.

Aan de Daily News wordt uit Parijs geschreven, dat de krijgsraad, die over Rochefort, Rossel, Assi enz. vonnis moet vellen, eerst over veertien dagen bijeen zal komen en wel in de oranjerie te Versailles, daar de manege aldaar nog niet ruim genoeg was.

Frankrijk.

Manifest van den graaf van Chambord.

Franschen!

Ik ben in uw midden.
Gij hebt mij de poorten van Frankrijk geopend en ik heb mij het geluk niet kunnen onthouden, om mijn vaderland weer te zien.
Maar ik wil door een verlengd verblijf geen nieuwe voorwendsels geven aan de onrust, die thans de gemoederen beheerscht.
Ik verlaat dus dit Chambord, dat gij mij gegeven hebt en waarvan ik met trots den naam gedurende de veertig jaren mijner ballingschap gedragen heb.
Ik sta er op om u, nu ik mij van u verwijder, te zeggen, dat ik mij niet van u scheid; Frankrijk weet, dat ik het toebehoor.
Ik kan niet vergeten, dat het monarchaal recht het erfdeel des volks is; noch mij aan de plichten onttrekken, die het mij oplegt.
Die plichten zal ik vervullen, op mijn woord als eerlijk man en koning.
Met Gods hulp zullen wij samen, en wanneer gij het wilt, een goevernement stichten overeenkomstig de werkelijke behoefden des lands, op de breede grondslagen der administratieve decentralisatie en plaatselijke vrijheden.
Tot waarborg zullen wij aan die vrijheden, waarop ieder christenvolk recht heeft, geven het algemeen stemrecht, eerlijk uitgevoerd benevens de kontrole van twee kamers en wij zullen de nationale beweging van het laatst der vorige eeuw hervatten, terwijl wij haar waar karakter herstellen.
Eene minderheid, tegen den wil des lands