Allerlei.
*— Het bericht uit Harlingen dd. 14 dezer bevat, naar men ons mededeelt, eene onjuistheid. Wel is de heer S., kassier en wisselaar aldaar, jl. Maandag met de noorderzon vertrokken, doch zonder de kapitale som van 1½ ton gouds. Hij is dien dag naar Leeuwarden vertrokken, met het doel om zich in handen der justitie te stellen wat hem werd afgeraden door iemand, die, naar men verhaalt, wijl S. niet meer dan ƒ 10 op zak had, hem ƒ 100 aan reisgeld medegaf, om naar Engeland te kunnen gaan.
— Men meldt uit Sneek aan de N. R. Ct.
Het bericht, dat voor eenige dagen in de bladen voorkwam, als zou alhier een man gevankelijk zijn binnengevoerd, die zijn zoontje in het water geschopt had en zou hebben laten verdrinken, is geheel onjuist. Er heeft zich zoo’n geval niet voorgedaan.
— Te Sneek is Donderdag het lijk aangebracht van een te Makkum overleden meisje, om eene gerechtelijke schouwing te ondergaan. De oorzaak daarvan is het volgende: Tegen den avond van den 7. Mei jl. verlieten drie knapen te Makkum een winkel waar drank werd verkocht. Bij het uitgaan werden zij door twee of drie meisjes uitgejouwd, waarop een der jongelingen een der meisjes een slag met de hand aan het hoofd gaf. Schijnbaar had die slag geene kwade gevolgen, maar na 14 dagen openbaarde zich een ongemak aan het hoofd. Het meisje is eergisteren overleden.
— Niet ver van Sneek is Vrijdagavond in de Bozumer opvaart een 6-jarig knaapje verdronken. Met zijn vader en moeder bevond het zich daar op een schip. Zich naar zijne moeder begevende viel het achterover van het schip en verdween dadelijk in de diepte. Eerst na lang zoeken haalde men het lijkje op.
De soldaat F. J. Wiessink, geb. te Amsterdam, in 1842 als tamboer in dienst getreden, is, wegens aanhoudende dronkenschap, gister voor het front van het geheele 5. reg. inf. uit den dienst weg gejaagd.
Van 1857 tot 1858, en van 1868 tot 1869 stond hij bij de klasse van discipline; hij had gediend bij het 1., 3., 7. en nu laatstelijk bij het 5. regiment infanterie.
— De beroemde linde bij Dortmund in Westfalen, waaronder in oude dagen het Veemgerecht vergaderde, is in den nacht van 11 Juli bijna geheel omvergewaaid.
WATERHOOGTE.
Mannheim 15 Juli 14 vt. 4 dm Gev. 4 dm.
Coblenz, 16 Juli 10 vt. 11½ dm. Gev. 2½ dm.
Keulen, 16 Juli 12 vt. 1 dm. Gew. 5 dm.
Vreeswijk, 16 Juli 3.30 El. + AP. 3.22 El. onder N. P. Gev. 2 dm.
Vreeswijk, 17 Juli 3.24 El. + AP. 3.28 El. onder N. P. Gev, 6 dm.
Beroemde namen.
Cartesianen in Utrecht.
II.
HENRICUS RENERIUS.
Te Hoei geboren in 1593, ontving Renerius zijn eerste letterkundige opleiding te Luik en te Leuven. Hier reeds in de Godgeleerdheid studeerende, las hij de Institutio van Calvinus en nu verklaarde hij zich voor de beginselen der hervorming. Om zich aan het ongenoegen zijner ouders te onttrekken, begaf hij zich naar Leiden, werd daar in het Fransche kollegie opgenomen en legde zich gedurende vijf jaren op de studie van den bijbel toe. Door zijn vader onterfd, was hij genoodzaakt door het geven van privaatlessen in zijn onderhoud te voorzien. Doch nu wijdde hij zich geheel aan de wijsbegeerte en was de eerste onder de Nederlanders, die met Descartes in kennis geraakte en de nauwste vriendschap met hem sloot voor geheel zijn leven. Ofschoon te Leiden reeds in aanmerking gekomen als opvolger van Burgersdijk, en wel als hoogleeraar in de zedekunde, wijdde hij zich aan de opvoeding en het onderwijs van drie zonen van een aanzienlijk man. In 1632 ging hij als hoogleeraar in de wijsbegeerte naar Deventer, werwaarts Descartes zijn getrouwen vriend volgde. In 1634 werd hij te Utrecht aan de opgerichte Illustre school geroepen, om de wijsbegeerte te onderwijzen. Vol eerbied voor Descartes, die hem in de studie der natuur en van den sterrenhemel zoo heerlijk had ingeleid, noemde hij hem vol ingenomenheid »zijn licht, zijn zon, zijn genius;” maar tevens wist hij met zooveel verstand en gematigdheid de zuiverder beginselen van natuurkunde volgens de methode van Descartes hij de jongelieden ingang te doen vinden, dat hij bijna geen tegenstanders, zelfs niet in Voet, heeft aangetroffen. Indien zijn ambtgenoot Regius gelijke omzichtigheid had aangewend, zouden wellicht de volgers der pseudo-aristotelische filosofie voor de nieuwe wijsbegeerte toegankelijker geweest zijn.
Renerius was hoogst ijverig en nauwgezet in zijne ambtsvervulling: elke week gaf hij zes openlijke lessen en twaalf afzonderlijke, onder een grooten toeloop van toehoorders, zoodat zijne gezondheid er onder leed, en de kuratoren in 1638 zijne lessen met twee verminderden.
Hij was tweemaal gehuwd, het laatst met Anna, de dochter van zijn vriend Velthuysen, dien wij reeds hebben leeren kennen.
Hij overleed 46 jaren oud in 1639. Antonius Aemilius, rector der Hieronymusschool en hoogleeraar in de geschiedenis, sprak, in de Domkerk, de lijkrede over hem uit; maar toen Aemilius in die redevoering Descartes »den Atlas en eenigen Archimedes dezer eeuw” genoemd had, maakte dit de verontwaardiging van Gijsbert Voet gaande. Deze verontwaardiging steeg tot verbolgenheid, toen de opvolger van Renerius, de Roy, bij elke gelegenheid de methode van Descartes aanprees. Nu bleef een rechtstreeksche aanval op den mathematischen wereldbeschouwer zelven niet uit. Voetius sloeg theses aan, waarin hij Descartes poogde verdacht te maken van atheïsme, een toenmaals vrij gewone, en altijd goedkoope, beschuldiging. Descartes schreef hierover in een brief aan Regius: »Het zou niet moeilijk zijn alleen uit de theses van Voet over het Atheïsmus in duidelijke en zeker gaande gevolgtrekkingen aan te toonen, dat deze juist is, wat hij van ons valschelijk wil doen gelooven; zelfs indien het de moeite waard was, hem af te teekenen, zooals hij werkelijk is, en al zijne kunstgrepen aan den dag te brengen, zou hij wellicht zoodanig blijken te zijn, dat het voor uw stad niet passen zou, hem langer als predikant en professor te behouden.” Toen Voetius echter voortging zich met hevigheid tegen de leerwijze van Descartes te verzetten en die bij elke gelegenheid te bestrijden, terwijl hij hem onder meer andere liefelijke namen, een »Jesuitaster” en een »onder het gesternte van Ignatius Loyola geborene” noemde, was Descartes eindelijk genoodzaakt nadrukkelijk te antwoorden met een Verweerschrift (Apologeticus) aan den Utrechtschen Magistraat. Wat de aanklacht van Jesuïtisme betreft, heeft Descartes uit eigenhandige brieven van Voet aangetoond, dat Voet zelf een Parijschen geleerden monnik Mersenne had aangespoord tegen Descartes te schrijven en hem had geluk gewenscht met de juistheid en klaarblijkelijkheid, waarmede hij de godsdienstige waarheid had gehandhaafd.
Het komt ons voor, dat Renerius daardoor vooral in geene vijandige aanraking met Voetius gekomen is, dat hij in geene openlijk bekend geworden werken het Cartesianisme aanbevolen of verdedigd heeft.
t. B.
INGEZONDEN STUKKEN.
Buiten verantwoordelijkheid der Redaktie.
Mijnheer de Redakteur.
De weerbaarheid mag zich geluk wenschen, met de ondersteuning, die haar plan, om een wedstrijd te houden, bij de regeering van provincie en stad heeft gevonden, van de laatste te meer, omdat het preadvies van de meerderheid van B. en W. zoo geheel ongunstig was. — Zij is ongetwijfeld ten hoogste erkentelijk aan de wakkere mannen, die dit preadvies met warmte bestreden, en die voor de gunstiger voorstellen gestemd hebben.
Dat preadvies van de meerderheid van B. en Weth. verschijnt, door de toelichting van een der wethouders, den heer de Muralt, in een eigenaardig licht.
B. en Weth. »treden toch niet in de mérites van iedere dergelijke Vereeniging in hoever de een meer dan de andere ondersteuning verdient”, — zij »hebben geen vrijheid te beoordeelen hoever de strekking (provinciale, nationale, internationale) van de groote plannen van al die vereenigingen gaan.”
Ik wil er slechts op wijzen, mijnheer de redakteur! dat mij die opvatting van de taak van B. en W. voorkomt, weinig te strooken met art. 179 s. en v., gem. w.
Ik wil er ook niet hij stilstaan, dat deze bekentenis (van gemakzucht of gebrek aan belangstelling?) veel waarde ontneemt aan het verslag over den toestand der gemeente, dat door B. en W. jaarlijks wordt uitgebracht, en waarin omtrent al die vereenigingen mededeelingen voorkomen, - wel is waar op grond van de mededeelingen van de besturen dier vereenigingen, - maar toch in het lichaam van het verslag zelf, dus onder verantwoordelijkheid van B. en Weth. zelve, die door die opneming als het ware te verstaan moeten geven, dat zij vertrouwen genoeg stellen in die besturen, om hunne mededeelingen als juist aan te nemen, en ze daarom als officieele mededeelingen van hunnentwege aan den raad over te brengen.
Ik wil zelfs de vraag niet behandelen, of B. en Weth. als zij niet nagaan, welke Vereeniging meer of minder ondersteuning verdient, ook wel weten kunnen, welke Vereenigingen er zouden kunnen zijn, die in plaats van ondersteund, zooveel mogelijk tegengegaan moesten worden.
Waar ik alleen de aandacht op wil vestigen is de moraal, nl. deze:
dat Vereenigingen, die de ondersteuning van de stedelijke regeering wenschen, zich, »buitengewone gevallen” uitgezonderd, tot den raad zullen moeten wenden, omdat de meerderheid van B. en Weth. tot beginsel heeft aangenomen, op al deze en dergelijke aanvragen afwijzend te beschikken;
dat de gemeenteraad, deze en dergelijke aanvragen ontvangende, die om preadvies zal behooren te stellen in handen van eene speciale komm. en niet in handen van B. en Weth., omdat B. en Weth. verklaard hebben: niet in een onderzoek te treden van het meer of minder belang, dat zulke vereenigingen hebben, - dat zij niet anders kunnen adviseeren, dan zij beschikken, dat is op alles en allen »afwijzend”, - wat wel niet de bedoeling van den raad zal zijn, als zij eenig stuk in handen stelt van B. en Weth. om »hem te dienen van konsideratien en advies.”
Utr. 14 Juli 71.
S.
BUITENLAND.
Italie.
Aan de overgeblevenen van het korps, dat, onnder generaal Durando, door paus Pius IX in 1848 ter ondersteuning van den koning van Sardinie, tegen de Oostenrijkers, naar de Po gezonden werd, is een zilveren gedenkpenning uitgereikt, bij gelegenheid van ’s konings aanwezigheid te Rome.
In de Italie leest men de volgende verklaring van Hyacinthe: »De verklaring, die te Munchen door professor Döllinger en zijne vrienden onderteekend is, draagt mijne volledige goedkeuring weg. Ik vertrouw, dat deze gewichtige daad van geloof, wetenschap en geweten het begin en het middenpunt der hervormings-beweging zijn zal, waardoor alleen de Katholieke Kerk nog te redden is, en die haar redden zal.”
Rusland.
De deportatie naar Siberie heeft, evenals de meeste Russische instellingen, onder den tegenwoordigen keizer een groote verbetering ondergaan. Sedert 1867 ziet men niet meer die vreeselijke processies van geboeide gevangenen, die als een kudde vee door bereden kozakken voortgedreven werden. De veroordeelden gaan langs de spoorwegen tot aan de Wolga en worden verder per water vervoerd, behalve een kleine streek door de bergen, die Europa van Azie scheidt, en waar karren gebruikt worden. De drijvende kerkers, waarin de gevangenen op de rivieren de reis maken, zijn groote vaartuigen, door stoombooten gesleept. Deze vaartuigen zijn zeer doelmatig ingericht. Benedendeks is eene luchtige en goed verlichte ruimte, de algemeene gevangeniskamer. De wachtkamer, het bureau en de keuken beslaan minder dan een derde van het dek. Het overige gedeelte van het dek vormt een ruime kooi; ijzeren stijlen dragen een dak van plaatijzer en tusschen de stijlen is een net van dik, gevlochten ijzerdraad. Deze drijvende gevangenissen zouden zeer goed zijn, wanneer zij niet zoo opgepropt vol waren. Ook de gevangenissen onderweg zijn meestal te klein, zoodat er een onbeschrijfelijk bedorven lucht heerscht. Wanneer men een blik door het traliewerk van zulk een kooi werpt, ziet men een merkwaardig schouwspel. De meesten veroordeelden dragen de vuil bruine gevangeniskleeding met de letters S. I. B. op den rug met geel ingenaaid. Maar velen dragen ook hun eigen kleederen. De meeste hebben goede laarzen, die hun enkels tegen de wrijving der boeien beschermen, anderen dragen het nationale schoeisel van lindenbast. Slechts die tot dwangarbeid veroordeeld zijn dragen een keten, die om de enkels bevestigd en in het midden door een riem aan den gordel vastgemaakt is. Te midden der mannelijke gevangenen ziet men groepjes vrouwen en kinderen. Twee derden der vrouwen zijn ook veroordeelden, de overige en de kinderen zijn passagiers. Het Russische goevernement verleent, om de emigratie aan te moedigen, vrijen overtocht aan de families van hen, die naar Siberië gedeporteerd worden. In 1860 werden 6000 mannelijke gevangenen vergezeld door 326 vrije vrouwen met 561 kinderen, terwijl met 700 gevangen vrouwen slechts 4 vrije mannen meegingen. Het nieuwe systeem van vervoer heeft zijn ontstaan te danken aan den ondernemingsgeest van een Russischen koopman, evenals de meeste Russische kooplieden een boerenzoon. Hem behooren al de de gevangenisvaartuigen en sleepbooten toe. De booten nemen ook passagiers en goederen mede en behooren tot de beste in Rusland. Slechts een gedeelte der gevangenen gaat tot Tomsk. Op verschillende stations aan de rivieren worden er aan land gezet, om over de Wester distrikten van Siberie verdeeld te worden. De afstand van de stations naar de plaats van bestemming wordt te voet afgelegd. De plaatsen, waar de gevangenen overnachten, zijn meestal onverdragelijk vuil. De geleiders zijn gewoonlijk menschelijk en niet onvatbaar voor fooien. Slechts de Polen lieten zich soms tot verzet verleiden, dat gruwzaam streng gestraft werd. Een merkwaardige Russische instelling, de antel, draagt veel bij om het lijden der gevangenen te verzachten. Wanneer eenige Russische boeren een tijdlang samenwerken, vormen zij spoedig eene vereeniging met een verkozen hoofd en gelijke rechten en plichten voor alle leden. Het komt nooit voor, dat zij elkander ontrouw worden. De veroordeelden vormen ook zulke artels en breken ook nooit de eens afgelegde belofte. Wanneer er een zijn woord voor een medelid verpandt, vertrouwen de geleiders er zelfs op. Het hoofd administreert al het geld, doet de inkoopen en geeft den geleiders hun fooien. Uit de vaartuigen is het ontvluchten onmogelijk; maar zij die te voet gaan, hebben meer kans. Ook uit de verbanningsplaatsen maken velen zich uit de voeten. West Siberie en Oost-Rusland is vol ontvluchte gevangenen.
Duitschland.
Voor het gedenkteeken voor Hermann op den berg Grothenburg, in het Teutoburgerwoud, is uit de schatkist 10,000 th. geschonken. De tempel, waarop het beeld zal staan van Hermann, die de legioenen van Varus, in het jaar 9 na Chr. in het Teutoburgerwoud versloeg en een deel van Duitschland vrijmaakte, heeft eene hoogte van 85½ voet Pruis. maat; hij is in 1846 voltooid en heeft 46,281 th. gekost, bijeengebracht door de vereenigingen te Detmold gevestigd. Het beeld zal van geslagen koper worden vervaardigd op 9 maal de ware grootte. Ook hiervan is het meerendeel gereed; de henoodigde gelden bedragen, zoo voor het beeld als voor de ijzeren steunsels door middel waarvan het staande wordt gehouden, 34,208 th. Men heeft van hetgeen is gereed gemaakt, reeds betaald 18,352 th., blijft nog ongedekt 15,855. Hiervoor komt uit de rijkskas 10,000 en een restant in handen der kommissie te Detmold van 5,300 th., zoodat eindelijk de zaak tot stand zal worden gebracht. De totale uitgaaf komt derhalve naar deze berekening op ruim 80,000 th.
Engeland.
In het Hoogerhuis verklaarde lord Russell, zich in beginsel tegen den verkoop der officiersrangen, maar hij was tegen de bill, omdat als zij werd aangenomen, het Lagerhuis in ’t volgend jaar er niet meer aan denken zou om haar te vooltooien. Toch was een radikale hervorming van ’t leger dringend noodzakelijk. De hertog van Cambridge, opperbevelhebber van ’t leger, was ook voor de afschaffing van ’t koopstelsel, maar wilde zich buiten de politieke kwestie houden. Lord Hardinge noemde de bill een alles afbrekenden en niets ophouwenden maatregel. Lord Vivian verdedigde het koopstelsel; de hertog van Beaufort meende dat de regeering verstandiger gedaan had het geld te besteden tot verhooging van traktementen en pensioenen, dan tot afschaffing van een stelsel, waaraan de armee zooveel uitstekende officieren te danken had; lord Melville vroeg, ot er zekerheid was, dat ’t lagerhuis alle jaar de noodige gelden zou toestaan, om het leger uit zijn toestand van totale onbruikbaarheid op te heffen; de hertog van Manchester wilde algemeene dienstplichtigheid volgens het Zwitsersche systeem. Lord Derby achtte de gebreken der bill geen afdoende reden tot hare verwerping; Lord Carnarvon noemde de bill machteloos tot goed, en slechts bevorderlijk tot kwaad; de lords Huntley en Lawrence wezen op de deugdelijkheid van het Britsch-Indische leger, om te doen uitkomen, hoe goed afschaffing van het koopstelsel zou werken. Daarna werd de vergadering verdaagd tot Maandag a. s.
De Spectator verwondert er zich volstrekt niet over, dat de gematigde Tories in het Hoogernuis aarzelen de legerbill te verwerpen. Daardoor zou het ministerie toch gedwongen zijn, óf om af te treden, óf om aan het prestige van het huis een doodelijken slag toe te brengen, door aan te blijven. Waarschijnlijk zoude het het eerste doen. Dan zou Disraeli aan het bestuur komen en hij zou natuurlijk trachten een kompromis te maken en als dit niet ging, het parlement ontbinden. Maar dan zouden de liberalen van de legerhervorming hun verkiezingsleus maken en, na eenige weken van groote verwarring, zou Gladstone weder aan het hoofd des lands zijn onder de verplichting om eene militaire reorganisatie in te voeren even ingrijpend als de Iersche kerkwet.
Te Londen is eene tentoonstelling van katten georganiseerd.
Frankrijk.
Men leest in de France: Thiers, van wien men ten onrechte zeide, dat hij ziek is, heeft een bezoek gebracht aan den graaf van Parijs en zich met hem over verschillende onderwerpen, o. a. over het leger onderhouden. De graaf van Parijs keert naar Engeland terug.
In de Nationale vergadering van 15 dezer heeft de heer Béranger een nieuw wetsontwerp op de drukpers ingediend. Hij stelde voor, om voor de staatkundige misdrijven, door middel van de drukpers gepleegd, eene jury in te stellen. Elk jaar moet eene lijst opgemaakt worden van de leden der jury. In ieder departement bestaat die lijst uit 200 namen en in het departement der Seine uit 600. De leden worden gekozen door den departementalen raad, uit de gemeenteraden, naar verhouding der bevolking. In het departement der Seine wordt de liist samengesteld voor een derde door den provincialen raad, en verder: vijftig leden door het instituut; vijfentwintig leden door het hof van kassatie, uit de leden der magistratuur; vijftig leden door de orde van advokaten, uit de leden der balie en der rechtbank van koophandel; honderd leden door de kamer van koophandel, uit een lijst van notabelen van den handelstand; honderd leden door den gemeenteraad, te verdeelen over de verschillende wijken; vijfentwintig leden door de kamer van notarissen en prokureurs, en vijftig leden door het syndikaat van joernalisten, uit de dagbladschrijvers en uitgevers van dagbladen, die geen vonnis wegens drukpers-overtreding te hunnen laste hebben. Bij een ander voorstel wordt verlangd de benoeming eener kommissie van vijftien leden uit de kamer, om een ontwerp samen te stellen tot herziening der wet ter beteugeling van drukpers-delikten.
Men verzekert, dat de interpellatie van den heer Belcastel over de verzoekschriften der bisschoppen ingetrokken zal worden.
De minister van binnenl. zaken, de hr. Lambrecht, heeft aan de prefekten der door de Duitschers bezette departementen bekend gemaakt, dat de Duitschers bevel ontvangen hebben geene andere straffen op te leggen, dan die door de krijgsraden zijn uitgesproken. De prefekten worden daarbij uitgenoodigd het hunne te doen, om botsingen te voorkomen en zoo Duitsche militairen zich aan overtredingen schuldig maken, dit onmiddellijk ter kennisse te brengen van hunne chefs.
De minister van binnenl. zaken heeft in de kamer de verzekering gegeven, dat er geen ongeregeldheden te Nizza hebben plaatst, gehad. Er was slechts een vechtpartij in een koffiehuis geweest. Het Journal de Nice meldt hieromtrent van 12 Juli het volgende: De nacht van 10 Juli was stormachtig en somber. Een troep trok door de straten, onder een woedend geschreeuw, van: leve Garibaldi! weg met Frankrijk! Dood aan de Franschen! Twee Franschen werden met dolken gewond. Een daarvan is stervende. Er zijn talrijke arrestatiën gedaan.
De maire van St. Dénis heeft het volgende bevel van den Pruisischen kommandant dier stad bekend gemaakt. Daar een onderofficier het slachtoffer van een aanranding van 4 personen geworden en zwaar gewond is, gelast ik: 1. ieder partikulier, die na 10 ure des avonds in de straten wordt aangetroffen, wordt in hechtenis genomen; 2. alle koffiehuizen en openbare lokalen moeten des avonds te 10 ure gesloten zijn, met uitzondering alleen van drie, welke door de officieren bezocht worden: de Weener brouwerij, de brouwerij van de rue de Paris en de brouwerij Dreher. Generaal von Malachowski.
De heer de Parieu, die onder het ministerie Ollivier president van den Raad van State was, heeft eene brochure uitgegeven: »over het tweede keizerrijk en den tegenwooidigen toestand van Frankrijk.” Hij tracht aan te toonen, dat Napoleon III het slachtoffer geworden is van de Fransche zucht naar roem. Persoonlijk, zoo zegt hij, had de keizer veel meer literarische en diplomatische neigingen dan militaire, en een eenigszins weifelend karakter deed hem ongaarne gevaarlijke ondernemingen wagen. Vele aanzienlijke personen, ook Parieu, waren tegen den Italiaanschen oorlog, maar de demokratie dwong er toe. Daaruit ontsproten voor Frankrijk groote rampen, niet omdat de italiaansche eenmeid voor Frankrijk zoo gevaarlijk is, maar omdat die oorlog de partij van orde over de Romeinsche kwestie verdeelde en het wantrouwen van andere staten opwekte. Dit laatste was vooral het geval bij Pruisen, waaronder uitstekende staatslieden en legerhoofden een duidelijk begrensde politiek en een eensgezind volk, tegenover weifeling, tweedracht en middelmatigheid in Frankrijk stonden. Napoleon, die sedert 1859 gewoon was den eersten rol in Europa te spelen en van Pruisen veel minder wist dan van de overige Duitsche staten, achtte dezen tegenstander te gering. De slag van Sadowa was noodlottig voor den keizer, omdat èn de militaire partij en de oppositie dien voorstelden als eene vernedering van Frankrijk. In den beginne scheen Napoleon zich te troosten met de gedachte, dat hij door Oostenrijks integriteit te redden, in tijd van nood een bondgenoot zou hebben. Maar de oorlogspartij behaalde de overhand, in weerwil van den tegenstand van het half-parlementair ministerie. Nog 14 Juli weifelde Ollivier. De ministers Louvet en Ségris waren voor den vrede; Plichon en Parieu waren er tegen, om toen oorlog te verklaren. Den 14. Juli riep de keizer: de teerling is geworpen; maar in de twaalf dagen die voor zijn vertrek naar Metz verliepen, was hij zeer ongerust. De keizer — zoo zegt Parieu — werd tegen wil en dank tot den oorlog gedwongen door den strijd der partijen en de haat zijner onverzoenlijke vijanden, die tegen een oorlogzuchtige politiek waren en hem toch tegelijker tijd verantwoordelijk stelden voor alles wat den nationaler trots van Frankrijk kwetsen kon.
TELEGRAMMEN.
De sints gister ontvangen telegrafische depeches laten wij hieronder volgen.
Munchen, Zaterdagavond 9½ u. De Duitsche kroonprins werd aan het rijkversierde station door den koning, de prinsen, de generalen en verdere autoriteiten ontvangen. De geestdrift is onbeschrijfelijk.
Madrid, Zondag. Er heeft een levendige diskussie in den ministerraad plaats gehad. Martos, Zorilla en Beranger wilden hun ontslag nemen, maar hielden dit 24 uren in beraad op dringend verzoek van Serrano.
Parijs, Zondag. Het Journ. Officiel bevat de benoeming van generaal Aurelles de Paladines tot opperbevelhebber te Bordeaux.
Het blad geeft verder zijne verwondering te kennen, dat de Times den voorewenden brief van Thiers aan den paus voor echt houdt. Het blad herhaalt, dat Thiers aan den Heiligen Vader geen raadgevingen heeft gegeven, zooals die, welke in dien brief voorkomen. Deze brief is het werk van een falsaris.
Parijs, heden, Maandag.
In de kommissie van het budget heeft de min. van fin. zijn financiëel programma opgegeven. Alleen voor zijde en andere geweven stoffen wil hij eene belasting van 20 pct. met drawbacks.
Het Journ. Off. bevestigt, dat de ontploffing te Vincennes aan onvoorzichtigheid te wijten is. Daarbij zijn 3 personen gedood, 3 zwaar en 25 licht gewond.
⁂ Bevallen van een DOCHTER, W. M. HUTJENS, geb. de Graaf.
Utrecht, 15 Julij.
⁂ Bevallen van een DOCHTER
C. H. SCHRÖDER.
geb. Froschhart
⁂ Heden trof ons een gevoeligen slag, door het verlies van ons eenigst geliefd Kind, HENRICUS WILHELMUS ANTONIUS, in den aanvalligen leeftijd van ruim vier jaren.
H. C. W. SOHL,
H. J. M. SOHL, Remmé
Utrecht, 16 Julij 1871.
⁂ Voor de vele bewijzen van belangstelling bij de bevalling mijner Echtgenoote betuig ik bij deze, ook namens haar, mijn welmeenenden dank.
Utrecht, 17 Juli 1871.
G. HAKSEL.









