Beroemde namen.
Cartesianen in Utrecht.
III.
HENRICUS REGIUS.
Henricus de Roy (Regius), te Utrecht geboren in 1598, voleindigde zijne studiën in Franeker, waar hij meester der vrije kunsten en doctor in de medicijnen werd. Eerst oefende hij de geneeskunde uit in Oost-Friesland, daarop te Naarden en eindelijk in zijne geboortestad. In het jaar 1638 werd hij hier buitengewoon hoogleeraar in de geneeskunde en de plantenleer. Het volgend jaar tot gewoon hoogleeraar benoemd, nam hij zijn post met ijver en lust tot zijn dood toe waar. In 1649 werden hem de ontleedkundige lessen opgedragen. Hij was een zeer groot en zeer ijverig voorstander en verdediger der Cartesiaansche wijsbegeerte, daar hij het zich tot een eer rekende het vak der geneeskunde van de scholastieke dwalingen te zuiveren en naar de leer van Descartes te verbeteren. Hij deed dit echter met meer drift en mindere voorzichtigheid dan Renerius, en dit had groote oneenigheden ten gevolge.
Nog als gewoon geneesheer was hij in vriendschap gekomen met Renerius; van dezen leerde hij de wijsgeerige methode van Descartes kennen, las de geschriften van dien mathematischen denker en vatte liefde op voor zijne wijsbegeerte. Daar de Roy op bepaalde uren vraagstukken uit de natuurkunde met zijne hoorders behandelde en die naar de beginselen der toen nieuwe filosofie ophelderde, viel hij hij eenige zijner ambtgenooten in ongenade, die het hem ten kwade duidden, dat dusdoende de stellingen der oude wijsgeeren, zooals zij het noemden, verwaarloosd werden, vooral ook, naar het schijnt, omdat de gehoorzalen, als de Roy sprak, met een grooter aantal toehoorders waren vervuld. Daarbij kwam nog een bijzonder voorval: op den 9. Juli 1639 werd een akademisch dispuut gehouden onder Arnold Senquerd, en deze nam als praeses den onder hem defendeerenden student, die door een leerling van de Roy, volgens het stelsel van Descartes, aangevallen en in het nauw gebracht werd, in zijne bescherming. Hierop trad de Roy weder voor zijnen discipel in de bres en voerde met groote opgewondenheid het woord tegen zijn ambtgenoot, doch dit nam velen zijner overige kollega’s tegen hem in. Nu eenmaal gaande gemaakt, verdedigde hij openlijk in verschillende verhandelingen de leerstellingen van Descartes, waartegen weder Stratenus, zijn geneeskundige ambtgenoot, en Ravensperger, zijn ambtgenoot in de wiskunde en, wat het ergst was, de theoloog Voetius in verschillende verhandelingen en theses opkwamen. Voetius aarzelde niet hem »een ketter” te noemen, en in een der blauwboekjes, die toen tegen de Roy uitkwamen, werd hem verweten, dat »zijn hoofd ronddraaide als de molen van Jutphaas.” — Naar hetgeen Velthuysen verhaalt, werd in een latijnsch vers van een student achter stellingen, die Voet tegen de Roy uitgaf, van dezen gezegd:
Simia mendacis Galli, mendacior ipso;
de Roy Zou dus »de aap” van Descartes, »een leugenachtigen Franschman, en nog leugenachtiger dan deze zelf” geweest zijn. Op deze theses bleef de Roy het antwoord niet schuldig; maar toen wist Voetius te bewerken, dat de akademische senaat — alleen Aemilius en Cypriaan van Oosterga stemden tegen — klachten tegen hun medelid inbracht bij de regeering, met dit gevolg, dat aan Regius verboden werd eenige openbare of bijzondere kollegiën te houden, behalve zijne medische. Dit geschiedde ao. 1642. Descartes raadde toen de Roy aan, zich aan dat besluit der overheid te onderwerpen. In een volgenden brief gaf hij hem eerst een wenk, hoe hij Voetius antwoorden kon, maar, zoo het waar was, wat zijn vriend hem had geschreven, dat hij zijn gansche professoraat in de waagschaal stelde, indien hij Voetius antwoordde: »dan” liet hij volgen, »raad ik u te zwijgen; maar ik heb toch verwonderd gestaan, want ik wist niet, dat die man in uw stad zulk een heerschappij voert, en ik meende, dat zij meer vrijheid genoot; doch nu heb ik medelijden met haar, dat zij zoo een nietswaardigen schoolmeester en zulk een ellendigen tiran slaafs moet onderworpen zijn.”
Van nu af zich bij zijne medische lessen bepalende, onthield de Roy zich van de filosofie en verkreeg in 1661 den titel van eersten professor in de geneeskunde. Hij stierf 19 Febr. 1679.
Het schijnt, dat Regius zijn tijd voorbij wilde streven. Onder den titel Physiologie of Gezondheidskennis schreef hij drie verhandelingen; maar men nam toen het woord physiologie nog op in de beteekenis van algemeene natuurkunde, vandaar dat men den titel, als te veel belovend, afkeurde »daar toch (zoo werd van een anders welwillende zijde aangemerkt) één mensch niet in staat was uit te leggen, wat de geheele natuur omvatte, vooral daar er zoo weinig vóórgewerkt was, gelijk de schrijver zelf erkende.” Doch de Roy had de physiologie van den mensch bedoeld en had dien naam toegepast op de gezondheidsleer, als praktisch onderdeel der algemene natuurkunde van den mensch. — Hij schreef ook ter verdediging van den bloedsomloop, waardoor hij met Primrose te Leiden in strijd kwam.
De Roy was een beminnaar der waarheid door onderzoek, waar toe het hem niet aan scherpzinnigheid ontbrak. Zoo heet hij in zijne Natuurphilosophie (1651, 1654 en 1661), die mede in het Fransch is uitgekomen, onder anderen eene, voor die tijden bevredigende, uitlegging gegeven der schijnbaar vrijwillige beweging van het zoogenaamd kruidje-roer-mij-niet, of Herba pudica, gelijk de toenmalige geleerden het noemden. Dit werk bevatte als ’t ware een handboek der Cartesiaansche wijsbegeerte.
Zijne Grondbeginselen der Natuurkunde liet hij, vóór de uitgave, aan Descartes lezen. Deze keurde daarin veel af, omdat hij verder ging, dan bewezen kon worden. Toch gaf hij het werk uit, onder vele loftuitingen op den Franschen denker. Descartes nam dit kwalijk en beweerde, dat de Roy hem niet begreep, dat zijne stellingen geen orde was en dat zij door geen werkelijke bewijzen gestaafd waren, zoodat ze veel van paradoxen hadden. In de tweede uitgave liet de Roy de lofredenen op Descartes weg. Men verweet daarna aan de Roy te groote eigenliefde, en zeide, »dat men veel van hem had mogen verwachten, indien hij zich niet verbeeld had meer te weten dan Descartes of wijzer te zijn dan de meester.” En dat mocht natuurlijk niet.
Hij schreef nog eene verklaring van den menschelijken geest of van den Redelijken Geest. Ook over dit werk kwam hij met Descartes in dispuut.
In 1640 beschreef hij den Akademischen Kruidtuin te Utrecht. Meermalen zijn uitgegeven zijne Gronden der Geneeskunde, een soort van physiologie, 1657, 1664 en 1668, 4to. Zijne rationeele Praxis medica kwam eerst na zijn dood in het licht te Middelburg 1686 en te Leiden 1689.
t. B.
BUITENLAND.
Turkije.
Eindelijk is het langdurig geschil tusschen de Bulgaren en den Griekschen patriarch beslist, door het aftreden van den laatste en door het besluit der Porte, om de kerkelijke aangelegenheden van Bulgarije aan het bestuur der Grieksche hierarchie te ontnemen. Dit doel hebben de Bulgaren sedert jaren beoogd, om aan de mindere klassen eene nationale opvoeding in de openbare scholen te kunnen geven. Daar het grootste deel des volks nog zeer onbeschaafd is en de lagere geestelijkheid op denzelfden trap als hare gemeenten staat, waren de scholen geheel in de hand der hoogere geestelijken, die als Grieken tegen de ontwikkeling der Bulgaarsche nationaliteit waren. Om hieraan te gemoet te komen, stelden de leiders der nationale partij aan de Porte voor, om de Bulgaarsche kerk geheel onafhankelijk van den Griekschen patriarch te maken, daar het duidelijk gebleken was, dat hij alle goede plaatsen aan geestelijken van zijne nationaliteit weggaf en daardoor de Bulgaren feitelijk van het beheer hunner eigen kerk uitsloot. De Porte wilde hier eerst niet van hooren, vreezende, dat er eenig politiek doel mede beoogd werd, maar na verloop van eenigen tijd, liep zij eene nationale synode bijeen, om een koncept reglement voor de Bulgaarsche kerk samen te stellen. Toen dit voltooid was, keurde de groot-vizier het goed, maar vond het sterke oppositie bij den patriarch en de Grieksche synode. Te vergeefs beproefde Ali-Pacha beide partijen tot overeenstemming te brengen; de patriarch en de synode stonden op hun non possumus. Eindelijk verloor de Porte het geduld en eischte van den patriarch een beslissend antwoord. Deze nam zijn ontslag, nu hij de hervorming niet langer kon tegenhouden. Waarschijnlijk zullen ook de overige christenen in Turkije, voor zoover zij geen Grieken zijn, beproeven, om zich aan de suprematie van den patriarch en de synode te onttrekken, die sedert de verovering van Konstantonopel hen zwaarder gedrukt heeft, dan de Turksche heerschappij. Die pogingen zullen bij de Porte allicht steun vinden daar de nauwe verbinding, waarin de Grieksche geestelijkheid tot de Helleensche agitatie in Athene staat, het der regeering tot plicht maakt, haar macht en invloed zooveel mogelijk te beperken.
Reeds lang was er sprake van, dat de Porte ook de christenbevolking tot den militairen dienst zou oproepen op gelijken voet als de Mahomedanen. Er schijnt echter niet van te zullen komen. De regeering dreigt er slechts mede om de christenen een hooge afkoopsom te doen betalen. Rusland, zegt men, raadt sterk de invoering van den algemeenen dienstplicht aan, maar zulk een raad van die zijde komt natuurlijk verdacht voor.
Oostenrijk.
Over het bezoek van den kroonprins aan Boheme en Morivie schrijft de officieele Prager Ztg.: »Op nieuw is het duidelijk gebleken, dat er in Oostenrijk vele nationaliteiten, vele partijen vele politieke meeningen, zijn maar dat er geen oppositie tegen de dinastie bestaat, noch vijanden van den staat zijn. De dinastie, het monarchisch systeem, de eenheid van den staat blijven buiten diskussie; men twist slechts over den vorm der grondwet, over meer of minder autonomie der afzonderlijke landen, over meer of minder ver gaande koncessiën aan den geest des tijds. Verder gaan onze twisten niet.”
De delegatie van den rijksraad heeft het door de Hongaarsche delegatie aangenomen gemeenschappelijk budget goedgekeurd. Het is op 93.438.000 fl. vastgesteld.
Zwitserland.
Geneve, de bakermat van het Roode Kruis, zal binnen kort eene vergadering binnen hare muren, zien openen van afgevaardigden der verschillende Kommitees in alle landen. Frankrijk en Duitschland zullen er elk door 5 gedelegeerden worden vertegenwoordigd. De te nemen maatregelen ten opzichte van de nieuwe inrichtingen der Kommitee’s, de bevestiging van de verschillende betrekkingen, enz. zullen het hoofdonderwerp der diskussiën uitmaken. Deze samenkomst is als de voorlooper te beschouwen van het kongres, dat te Weenen over dezelfde zaken nog dezen zomer zal worden gehouden.
Duitschland.
De internationale tolkonferentie zal den 20. Augustus te Berlijn geopend worden. Slechts Frankrijk, Griekenland en Zwitserland nemen daaraan geen deel. Het bericht, dat Engeland en Italië zich aan de konferentie zouden onttrekken, blijkt dus onwaar geweest te zijn.
De Pruisische minister van binnenl. zaken graaf Eulenberg, is nog altijd te Ems; onlangs is hij door den keizer tot domheer van Brandenburg benoemd, aan welken titel een inkomen van 12,000 thaler ’s jaars verbonden is. Zijn langdurig verblijf te Ems wordt in verband gebracht met de jongste besluiten van het ministerie over de verhouding van den Staat tot de Katholieke kerk, met het oog op den strijd over het leerstuk der onfeilbaarheid; waarschijnlijk worden te Ems de te nemen maatregelen vastgesteld.
Men verwacht, dat eindelijk de Pruisische minister van eeredienst, van wien de klerikalen zooveel meenden te kunnen hopen, af zal treden. Alle niet klerikale bladen zijn voor een streng rechtvaardig optreden tegen de ultramontane woelingen. In de Bad. Landes Ztg. wordt op het goede voorbeeld van Zwitserland gewezen. Het kanton Aargau heeft o. a. besloten zijn subsidie aan het priesterseminarie te Solothurn in te trekken, omdat men daar leerboeken ingevoerd had, wier strekking afkeuring verdiende. Hetzelfde kanton heeft zich ook van het bisdom Bazel afgescheiden omdat de bisschop het nieuwe dogma der onfeilbaarheid aan het oude kerkgeloof toegevoegd had. Aargau draagt dus niets meer bij tot onderhoud van den bisschop van Bazel en deze heeft in de kerkelijke aangelegenheden van het kanton niets meer te zeggen.
De Duitschers, die bij het begin van den oorlog uit Frankrijk verdreven zijn, hebben gezamenlijk eene schadevergoeding gevraagd van 20 millioen thaler. Gelijk men weet heeft de rijksdag slechts 2 millioen thaler voor dit doel bestemd.
De intocht der Beiersche troepen in Munchen heeft en 16. plaats gehad. Ongeveer 20,000 man hadden zich reeds in den vroegen ochtend buiten de stad vereenigd; ten 9½ uur defileerden zij voor den koning. De straten waardoor de troepen trokken waren versierd met 200 meer dan een huis hooge masten, door guirlandes verbonden; op elken mast wapperde eene vlag, beurtelings eene Beijersche en eene Duitsche, een schild, door lauweren omkranst, waarop de naam van een veldslag of het portret van een der veldoversten te zien was. Alle woningen waren rijk en smaakvol versierd. Aan het hoofd der troepen reed de kroonprins met zijnen staf. Aan den kroonprins en aan den generaal von der Tann werd bij het inkomen der stad, na eene toespraak van den burgemeester, door eeredames een lauwerkrans overhandigd. Toen de kroonprins den koning naderde, die zich te paard geplaatst had bij het standbeeld van zijnen grootvader, koning Lodewijk I, reed hij, eerbiedig groetende met den maarschalksstaf, op Z. M. toe en plaatste zich een weinig achterwaarts aan ’s konings linker zijde. Het defileeren der troepen duurde omstreeks 2 uren. ’s Avonds was er gala-voorstelling in den schouwburg. De geheele stad was schitterend verlicht.
Engeland.
Het Hoogerhuis heeft met 155 tegen 130 stemmen de tweede lezing der legerwet afgestemd. Zonder hoofdelijke stemming is aangenomen het amendement van den hertog van Richmond, dat het Huis de behandeling der legerwet wenscht te staken totdat de Regeering een volledig plan van legerhervorming zal hebben ingediend. De ministers, de hertog van Argyll en lord Granville hebben er de aandacht op gevestigd, dat een voor de Regering ongunstig besluit van het Huis tot eene botsing met het Huis der Gemeenten zou leiden. Tegen het Regeerings voorstel sprak o. a. lord Salisbury, die het vooral de plicht van het Hoogerhuis noemde om de natie voor voorbarige en onvolkomen wetgeving te bewaren.
Frankrijk.
Thiers heeft een groot dinee ter eere van Mac Mahon gegeven, waarbij ook generaal Faidherbe tegenwoordig was. Met den laatste had Thiers ’s avonds een langdurig onderhoud. Men zegt, dat er met de Duitschers onderhandeld wordt over de ontruiming van het depart. Seine et Oise en van de forten om Parijs, waartegen zij het departement der Beneden Seine wat langer zouden bezet houden.
Men is zeer ontevreden dat de departementen van de Somme, de Aisne en de Beneden Seine niet ontruimd worden, daar het eerste halve milliard nu betaald is. Het zal echter wel binnen een paar dagen geschied zijn.
Het voorstel van den Parijschen afgevaardigde Wolowski om ’s lands regeering weder naar de hoofdstad terug te brengen zal eerst over eenige dagen inkomen. De uitslag is zeer twijfelachtig, daar een goot deel der afgevaardigden de stad der omwentelingen niet vertrouwt.
Onder de nieuwe belastingen worden genoemd eene op katten en kamervogels, 5 franks voor de eerste, 1 fr. voor de laatste. Het briefport zou worden verzwaard: een brief naar Amerika b. v. fr. 1.60 in plaats van 60 centimes. Ook de vracht der fiakres is verhoogd, dewijl het in Parijs aan paarden ontbreekt.
De Constitutionnel meldt dat de graaf van Chambord van Brugge, waarheen hij zich van Chambord begeven had, naar zijne gewone verblijfplaats, Frodsdorf in Bohemen is vertrokken.
Er is op nieuw ernstig sprake van de subsidiën aan de verschillende stoombootmaatschappijen te verminderen. Voor het laatste jaar ontving de Maatschappij tot overbrenging van brieven van ’t Vasteland naar Korsika 640.000 fr.; de postdienst van de Middellandsche zee 3.694.437 fr.; brievenvervoer tusschen Calais en Dover 190.000 fr.; de stoomvaart op Brazilië 2,396,172 fr.; die op Indië en China 7,256,682 fr.; en die op Nieuw-York en de Antillen 9,495,464 fr. makende een gezamenlijk bedrag van 23,582,464 fr.
De direktie van de Fransche bank heeft — naar men zegt — 200 franks rente aangeboden, aan ieder die hare bureaux van 18 Maart tot 25 Mei hebben verdedigd. Een zilveren medalje wordt bovendien voor ’t zelfde doel geslagen[.]
Te Parijs worden de processen tusschen huurders en verhuurders zóó talrijk, dat men daar twee sektiën van den specialen jury heeft moeten instellen. Het verkooplokaal in de rue Drouot is overvol met te verkoopen meubelen, en men is reeds begonnen de gerechtelijke veiling der tilbare have van arme uitgezette huurders op de publieke straat te houden. De ellende is zeer groot.
Dat het 18 Juli ook te Parijs buitengewoon warm was blijke uit den thermometer-stand aldaar; te 6 ure ’s morgens 71°, te 12 ure 91° te 2 ure 95°.
Het Journal des Debats komt tot de overtuiging, dat de beroemde regel: »Quidquid delirant reges, plectuntur Achivi” voortaan aldus moet vertaald worden. »Alle dwaasheden van de regeering worden geboet door de pers.” Want nu ook weder wordt de pers gestraft voor de fouten van anderen, zegt het blad. Het keizerrijk deed dwaasheden, die Frankrijk ten verderve brachten; daarin vond men aanleiding om een knellende belasting te leggen op die arme dagbladen, die met uitzondering van een paar officieuse bladen, het keizerrijk bestreden, en met dezelfde warmte om vrijheid en vrede riepen. De revolutionaire partij maakte zich van Parijs meester op 18 Maart, omdat de troepen, die het geschut van den Montmartre moesten wegvoeren, geen paarden hadden meegebracht. De oude Parijsche pers in haar geheel, al de dagbladen, die ook het keizerlijk despotisme hadden bestreden, verhieven als één man hunne stem tegen deze overweldigers, en stelden daardoor hunne bureaux aan plundering en verwoesting, hunne redakteurs aan lijfsgevaar bloot van de bandieten der Commune. Nu de Commune is overwonnen, zijn het weder de dagbladen, die gestraft worden voor de dwaasheden en misdaden van de mannen van 18 Maart, door de wederinvoering van de borgstelling en het zegel. Onder het keizerrijk was de ergernis algemeen over de ook elders verspreide kleine dagbladen, die alleen de gemeenheden der groote stad vermeldden. Nu haast men zich om ten hunnen gunste de privileges weêr in te voeren, die het keizerrijk hun gaf. Zij blijven dan nu ook weer vrij van den drukkenden last van het zegel. Het is licht te begrijpen — aldus besluit het goed geschreven Fransche blad — dat er geld noodig is om de verderfelijke domheden te betalen van de lieden van 2 December en 18 Maart; maar waarom moet de pers meer dan eenige andere tak van nijvereid daartoe worden belast? Zijn dan de Fransche dagbladschrijvers meer dan al hunne medeburgers aansprakelijk voor die reeks van rampen, die in het tijdperk van 15 Juli 70 tot 15 Juli 71 over ons land zijn gekomen?
Iemand, die in de omstreken van Nancy woont, verhaalt omtrent den brand van het paleis der oude hertogen van Lotharingen te Nancy, de volgende bijzonderheden. De brand had plaats in den nacht van Zondag op Maandag. lk werd — zoo schrijft de korrespondent — verschrikt door het zien van een vreeselijken brand, die, wat aard en omvang betreft, aan den brand van het ministerie van financiën te Parijs herinnerde. Nu was het evenwel het oude paleis van de hertogen van Lotharingen, dat een prooi der vlammen was. Het vuur greep zoo snel om zich heen, dat de gendarmen, wier kazerne in de nabijheid gelegen is, plotseling werden gewekt door het instorten van de balken. Zij konden niets anders redden dan de voorwerpen, die zij bij zich hadden. Ten twee ure des morgens werd eerst een aanvang gemaakt met de regeling der blusch middelen. De brandklok mocht niet geluid werden voordat de Pruisischen kommandant zijn goedkeuring gegeven had. Eene omstandigheid, die zeer vreemd en dan ook tot allerlei vermoedens aanleiding geeft, is, dat de brand zich uitbreidde als een loopend vuur over eene lengte van meer dan 200 ellen. Bij mijn vertrek uit Nancy, Maandagavond te 10 ure, sloegen de vlammen nog uit de vertrekken die aan de kerk grenzen, welke laatste evenwel gelukkig behouden is. Dit oude hertogelijke paleis was een overblijfsel van de oude bouwkunde, dat door geen vreemdeling onbezocht werd gelaten. Het diende tevens voor museum van alle antikwiteiten, Lotharingen betreffende, en herinneringen van koning Stanislaus. Bovenal merkwaardig waren de prachtige behangsels en eene aanzienlijke verzameling van wapenen, kleinoodiën, munten, kleederen en meubelen. Slechts weinig van al die kostbaarheden werden gered; de tent van Karel den Stoute en 4 behangsels uit de 15e eeuw, benevens eenige weinige schilderijen konden aan de vlammen worden ontrukt. Uit gehechtheid aan die oude herinneringen zijn bijna alle burgers òf tijdens den brand, òf daarna om de puinhoopen te bewaken, behulpzaam geweest. Ook de Pruisische soldaten losten de pompier af. Het krachtdadig optreden van den prefekt wordt zeer geroemd. De soeverein, die het slot het laatst bezocht, was de keizer van Oostenrijk. Deze deed dan ook reeds langs telegrafischen weg van zijne deelneming blijken, en vroeg tevens met belangstelling aan den maire eenige nadere bijzonderheden.
De Figaro geeft een verhaal van een bezoek op Chislehurst gebracht. Chislehurst ligt evenals Montmorency langs de helling van een heuvel. Bij het dorp een bekoorlijken weg inslaande, komt men in tien minuten aan Cambdenhouse de verblijfplaats van Napoleon III. Niets doet aan een vorstelijk verblijf denken. Voor een eenvoudig verguld ijzeren hek, loopt een policeman op en neer; en langs den muur, die het park van den balling omringt, wandelt een dier trouwhartige burgers, die men altijd in den omtrek van het poortje der Echelle kon zien flaneeren. Door het hek, dat links begrensd wordt door het paviljoen van den koncierge, ziet men een laan, vervolgens een grasperk en eindelijk half verborgen door het gebladerte van een rij hoogstammige boomen, een groot vierkant huis, prozaïsch gelegen voor den ingang van een park. Op het oogenblik, dat ik aanbelde — het was 3 uur — trad de wandelaar op mij toe, nam mij zeer onbeleefd van het hoofd tot de voeten op en verwijderde zich na zijn nieuwsgierigheid bevredigd te hebben. Een vrouw deed mij het hek open. De Keizer? vroeg ik. Zij ging mij voor en geleidde mij door de laan naar de villa. Een groote deur geeft toegang tot een uitgestrekte gaanderij, die zich over de geheele lengte van den voorgevel uitstrekt en overvloedig verlicht wordt door een open hemel; een gedeelte van die gaanderij wordt ingenomen door een vierkante salon, die als antichambre dient en zeer eenvoudig gemeubileerd is: eenige schilderijen hangen aan den muur en een dik tapijt bedekt de vloer. De gaanderij is somber. Aan den ingang staat de trouwe Felix. Hij herkende mij. — Gij wenscht Z. M. te zien? vroeg hij mij. — Ja. — Hebt gij uw bezoek aangekondigd? — Neen. — De oude dienaar verliet mij en begaf zich naar het kabinet van den gevallen soeverein. — Ik heb u aangediend, zeide mij Félix, en de Keizer is verheugd u te zullen zien. Ik bracht als een getrouw vriend een condoléance-bezoek Napoleon stond voor z[ij]n bureau; hij droeg een dichtgeknoopten zwarten jas en was overigens zeer eenvoudig gekleed. Hij drukte mij de hand en verzocht mij te gaan zitten, waarop wij over Parijs en Frankrijk begonnen te spreken. Hij vroeg mij weinig, maar luisterde des te meer. Nooit had ik een pijnlijker onderhoud: het was mijn vurig verlangen een straal van hoop te werpen in die onmetelijke smart der ballingschap, maar dat wilde ik doen, zonder vleijerij en zonder illusiën te wekken. Mijn zorg was echter overbodig. De Keizer kwam mij gelaten voor en berustende in zijn ongeluk. Zich herinnerende, dat hij door het volk gekozen werd, wenscht hij slechts naar Frankrijk terug te keeren, wanneer hij door het volk wordt teruggeroepen. Hij vertrouwt op zijn toekomst en voedt de illusie, dat zijn rechtvaardiging uitsluitend door de kracht der gebeurtenissen zal geschieden. Van de personen en zaken van het oogenblik sprekende, ontviel hem geen enkel bitter woord; gelijk een dweepende muzelman, draagt hij alles op aan de goddelijke macht. Het stond geschreven! zeide hij, en wat gebeuren moet, staat geschreven! Napoleon III is weinig verouderd; zijn uiterlijk voorkomen is niet veranderd; zijn oogopslag is nog steeds koud en doordringend en zijn zeer zachte glimlach vormt nog altijd datzelfde vreemde kontrast met de algemeene uitdrukking van zijn gelaat. Ik vond, dat hij er beter uitzag, dan voor zijn vertrek naar den oorlog. Met de keizerin is het geheel anders gelegen. Op het oogenblik, dat ik mij verwijderde, trad zij het vertrek binnen. Onmiddellijk trof mij haar bleekheid en de uitdrukking van treurigheid, over het gelaat verspreid; men kan het haar aanzien, dat zij veel geweend heeft en haar zoo fijne en regelmatige trekken hebben die zuiverheid van lijnen verloren, die de schoonheid van haar aangezicht zoo opmerkelijk maakte. »Zeg vooral in Frankrijk, zeide zij mij bij ’t afscheid nemen, dat wij slechts lijden om de ongelukken van het vaderland.” Ik verliet de villa Cambden, de ziel van weemoed vervuld. Ik had een plicht volbracht. ’s Avonds ging ik naar het koncert van de Alhambra. De edele ballingen van de Commune, onder wie ik Razoua en Cournet meende te herkennen, maakten er goeden sier en vierden juist de overkomst van een nieuwen ontsnapte. Zij leiden een weelderig leven en betalen met goed geld, dragende de beeltenis van den tiran. Welk een les voor de geschiedenis!”
TELEGRAMMEN
Florence, Woensdag[.] Een dagblad noemt het gerucht, dat baron v. Kubeck, de gezant van Oostenrijk, stappen te Rome heeft gedaan, om den Paus te bewegen zich met Italië te verzoenen, onjuist is.
Parijs, Woensdag. Het Journal officiel bevat een besluit van den 14. dezer, waarbij de rechten van 3.60 frs. op katoen en wol weer worden ingevoerd bij aanvoer te land te Nantua met bestemming naar Duinkerken.
Parijs, Woensdag[.] Ledru Rollin, door Thiers uitgenoodigd om te Versailles te komen, heeft met deze een langdurig onderhoud gehad. Men zegt, dat Ledru Rollin weder in het openbaar leven zal treden.
Parijs, Woensdag. Een partikuliere brief uit Versailles zegt, dat Pouye-Quertier, na de stemming in de kommissie voor het budget van gister, zijn voorstel tot het heffen van rechten op de grondstoffen zal intrekken, en op eene andere wijze het evenwicht tusschen de uitgaven en ontvangsten zal trachten te herstellen. De daarop betrekking hebbende voorstellen zullen na het reces worden ingediend.
Londen, heden, Donderdag.
Zondag zal er in Hydepark een meeting gehouden worden van demokraten, ter herinnering aan de reform-demonstratie van 1866.
De Times verneemt uit Mexiko, dat men het er voor hield, dat Juarez als president herkozen zou worden en de meerderheid in het kongres zal hebben.
De Times keurt de al te geavanceerde denkbeelden af, die vervat zijn in de brochure van Faidherbe.
De Standart zegt, dat Gladstone hedenavond zijn besluit omtrent de legerbill zal mededeelen.
De inschrijving op de nieuwe Turksche leening zal Woensdag geopend worden.
Parijs, heden, Donderdag.
Het Journ. des Debats meldt dat de kommissie voor het budget eene verhooging van het zegelrecht van ½ op 1½ centime voor de kleine dagbladen voorgesteld heeft.
Thiers zal heden de zitting der kommissie bijwonen.
De ontploffing van het kruitmagazijn te Vincennes is misschien nog niet gedaan. De bevolking is gewaarschuwd geworden. Men vreest nieuwe ongelukken.
Het Journal officiel kondigt de aanstaande ontruiming van Luxeuil aan.
⁂ Getrouwd:
H. G. W. HOUTZAGERS van Utrecht
en
E. C. VAN DILLEWIJN.
Naarden 18 Juli 1871.
⁂ De ondergeteekenden betuigen hunnen dank, ook namens wederzijdsche betrekkingen, voor de menigvuldige bewijzen van belangstelling, bij gelegenheid van hun huwelijk ondervonden.
Naarden 18 Juli 1871.
H. G. W. HOUTZAGERS.
E. C. HOUTZAGERS, van Dillewijn.
⁂ Heden morgen werden wij verblijd door de geboorte van een ZOON.
| Utrecht, 20 Juli 1871. |
ALB. NIJLAND. W. A. van Olst. |
Eenige kennisgning.
⁂ Heden overleed, tot mijne diepe droefheid, in den ouderdom van circa 71 jaren, mijn geliefde Echtgenoot, de Heer L. W. VAROSSIEAU, oud-Burgemeester van Alphen c. a.
Aarlanderveen, 17 Juli 1871.
Wed. L. W. VAROSSIEAU Dekema.
⁂ Voor de vele bewijzen van deelneming, zoo van hier als van elders, bij het overlijden van Vrouwe J. J. M. C VAN DER CRUYSSE VAN HOEIJ, Weduwe A. J. VAN HOEIJ SCHILTHOUWER, ontvangen, betuigen de Kinderen en behuwdkinderen, hun hartelijken dank.
Utrecht, 19 Juli 1871.

