Naar inhoud springen

Pagina:Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad 1871 no 327.pdf/1

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
No. 327
Ao. 1871
Maandag 1 December.
UTRECHTSCH
PROVINCIAAL EN STEDELIJK DAGBLAD.
Prijs van het Dagblad

per 3 maanden.

Franco per post .... ƒ 5.50.
Voor de stad Utrecht .... „ 5.—.

Uitgevers: L. E. BOSCH & ZOON.

ALGEMEEN ADVERTENTIE-BLAD.

Enkele nommers verkrijgbaar aan het Bureau à 5 Cents.

Prijs der Advertentiën.

Van 1—5 regls .... ƒ 1.—.
Elke regel meer .... „ 0.20.

BUREAU: Korte Nieuwstraat.

Voor het Buitenland ƒ 0.225



GEVONDEN op den openbaren weg te Utrecht:

Een Doekspeld. Een Muilkorf. Een Zakdoek.

Regthebbende vervoege zich ter terugbekoming, aan het Hoofd-Commissariaat van Politie alhier.

UTRECHT, 27 November.

Buitenlandsch overzicht.

De agitatie, die zich de laatste dagen in Brussel openbaarde, breidt zich tot de andere steden van Belgie uit en voor dien storm van verontwaardiging heeft de heer Dedecker de wijk genomen. Op zijn eigen verzoek is zijn benoeming tot goeverneur van Limburg ingetrokken.
Deze voldoening, aan de openbare meening te beurt gevallen, zal er veel toe bijdragen om de opgewondenheid te doen bedaren.
Dat de ongeregeldheden in de hoofdstad geen ernstiger karakter aangenomen en de zaak der vrijheid geen afbreuk gedaan hebben, is in de eerste plaats te danken aan de krachtige houding van den burgemeester, den heer Anspach. Zelf was hij op de plaatsen aanwezig, waar de orde het meest bedreigd werd. Hij liet niet aan ondergeschikte ambtenaren over om het prestige van het gezag te handhaven. Kalm weerstond hij de aansporingen, door angst of wrok ingegeven, om tot geweld zijn toevlucht te nemen en wakker handhaafde hij het recht der burgerij tegen onbezonnen dienstijver der politie, die helaas! maar al te vaak langdurige nalatigheid door ruwheid zoekt te doen vergeten. Het gedrag van den heer Anspach kan menig burgemeester tot voorbeeld strekken.
Dat in Oostenrijk het nieuwe ministerie door de klerikale partij met ondubbelzinnige blijken van afkeer zou ontvangen worden, was te verwachten. Zij heeft er reden toe, nu haar aanval op den staat werd afgeslagen, op het oogenblik, dat zij zich van de overwinning zeker waande, terwijl tegelijkertijd in Belgie en in Duitschland de strijd ook niet in haar voordeel schijnt uit te loopen.
In Duitschland houdt de bondsraad zich bezig met de beraadslaging over het driejarig budget van oorlog. Op dit budget konden de afzonderlijke posten nog niet allen vastgesteld worden, daar de reorganisatie der kontingenten van Zuidduitschland nog niet afgeloopen is. Waarschijnlijk zal de rijksdag het na eenige diskussie aannemen.
In Frankrijkbegint men te gelooven, dat de verplaatsing van den zetel der regeering van Versailles naar Parijs op meer tegenstand zal stuiten, dan men nog onlangs meende. Verscheidene afgevaardigden vreezen de demonstratiën en straatrumoeren der hoofdstad en achten zich bovendien door hunne vroegere verklaringen gebonden.
De Temps verzekert, dat de regeering aan de Nationale Vergadering een wet zal voorstellen, volgens welke geen lid van het huis Bonaparte in Frankrijk zal kunnen terugkeeren zonder machtiging der regeering. Wanneer zulk een ontwerp in behandeling komt, kan men verwachten, dat er eenig licht zal verspreid worden over de telkens vermeld wordende imperialistische kuiperijen en samenspanningen.
In Engeland is de koalitie tusschen eenige leiders der konservatieve partij en hoofden van werkliedenvereenigingen voorloopig opgegeven.
Uit Italië wordt gemeld, dat de paus verklaard heeft Rome niet te willen verlaten en dat de vertegenwoordiger van Frankrijk bij het italiaansche goevernement, evenals als zijne ambtgenooten, de opening van het parlement zal bijwonen.

Kamer- en Persnieuws.

— Het Dagbl. v. Z. H. is zeer ingenomen tegen de aanneming door de Tweede Kamer van het amendement van den heer Dumbar over de missie te Rome. Het heeft o. a. de middelen aan de hand gedaan, waardoor de min. van buitenl. zaken, indien hij niet zijne portefeuill[e] wilde nederleggen, de uitvoering van den maatregel kon tegenhouden, nl. de Eerste Kamer verzoeken zijne begrooting te verwerpen of den koning aan te raden van zijn recht van Veto gebruik te maken. Dit is o. a. bestreden door de Arnh. Ct., die daarbij het besluit der Kamer een wettig besluit noemde. Tegen dit laatste nu komt het D. v. Z. H. op, althans altijd in zooverre men in de aanneming van het amendement een besluit wil zien tot opheffing van de missie te Rome. Daartoe is de Tweede Kamer niet bevoegd. Zij had slechts te beslissen over het globale bedrag voor de gezantschappen op de begrooting uitgetrokken; Of die gelden worden aangewend voor de bezoldiging van een gezant te Rome of voor die van een elders gevestigden; daarover beslissen de koning en zijn ministers, die alleen te zorgen hebben, dat het bedrag der toegestane gelden niet worde overschreden. Aan de Vertegenwoordiging verblijve het grondwettig recht om gelden toe te staan of te weigeren; maar aan ’s koning regeering verblijven dan ook de rechten, haar in de Grwt. toegekend. Dat de heer Dumbar dat ook scheen te gevoelen, leidt het blad af, uit diens verklaring, in antwoord aan den heer Saaymans Vader, dat zijn voorstel tot niets anders strekte dan om te debatteeren over een post op de begrooting, waartoe de Kamer ook volgens den heer Vader alle recht bezat. — Op dien grond betoogt het blad nu nader, dat de minister volstrekt niet gehouden is tot opheffing van de missie te Rome, want is het de bedoeling van de aanneming van het amendement geweest tot de opheffing te besluiten, dan is bet grondwettig terrein verlaten en een min. is volstrekt niet gehouden, zich aan zulk een ongrondwettigen dwang te onderwerpen.

— De N. Rott. Ct. bespreekt het wetsontwerp tot regeling van den dienst en ’t gebruik der spoorwegen. Het ontwerp bevat op menig punt een stap vooruit, het verbetert vele voorschriften in vergelijking bij de bestaande wet, maar het laat ook kwestiën onopgelost, die hier geregeld moesten zijn. De minister leverde een omwerking der bestaande wet, hier en daar aangevuld, maar de aanvulling is niet voldoende. Er zijn artikelen in gebleven, die eerder in een wet op ’t koncedeeren van spoorwegen thuis behoorden; die bepalingen zijn wel niet zoo streng te scheiden, dat er twee afzonderlijke wetten zouden noodig zijn, maar men had ’t wel mogen toelichten, waarom in eene politiewet punten zijn geregeld, die in eene koncessiewet behoorden. Zoo had het toezicht op de staatsspoorweglijnen krachtiger en sneller werkend kunnen zijn. De bepalingen omtrent aansluitingen, het doorsnijden en gebruiken van spoorwegen door andere spoorwegen, zijn uitgebreid, en alleen schadevergoeding wordt dan toegestaan voor eventueele kosten. Voor den aanleg van wegen, kanalen en waterleidingen langs spoorwegen is ook geen onteigening meer noodig, maar slechts het geven van schadevergoeding, terwijl spoorwegen en stations bij kon. besl. ten gebruike van aansluitende maatschappijen gesteld kunnen worden, tegen schadeloosstelling door den rechter te bepalen, — alle voorschriften, die doen zien, dat de regeering begrijpt, dat de spoorwegen zijn voor het publiek, het publiek niet voor de spoorwegen.

— De N. Rott. Ct. vraagt: Zou het eene werkelijke verbetering zijn, wanneer de zittingen der Kamer te één uur, in plaats van te elf ure aanvingen? De N. Rott. Ct. zou een later aanvangs-uur willen. Om twee redenen. 1. omdat zij een meer beknopt debat verwacht, en de leden in dat geval het stelsel van redevoeren zouden laten varen en zich liever op redeneeren zouden toeleggen; 2. omdat de leden der Tweede Kamer niet zoo ruim bezoldigd worden, dat zij andere bedrijven kunnen vaarwel zeggen. Zij, die nog andere werkzaamheden, hebben te vervullen, dan het bijwonen van de zittingen der Staten-Generaal, moeten in de gelegenheid worden gesteld voor hunne dagelijksche werkzaamheid eerst te zorgen. Waarom zou ook bij ons niet mogelijk zijn een stelsel, dat in Belgie met den gunstigsten uitslag wordt in praktijk gebracht?

— Naar aanleiding van het ter griffie deponeeren van adressen aan de Tweede Kamer, zegt de Ned. Industrëel:
»Wat is toch dat recht van petitie een kostelijk kleinood voor de landskinderen! En hoe sterk spreekt het gevoel voor de stoffelijke volksbelanen, als b. v. nijverheidsbelangen, bij het hooge staatslichaam, dat de eer heeft het Nederlandsche volk te vertegenwoordigen. De grondwet zegt het; maar maken dergelijke bejegeningen het woord der grondwet tot een waarheid? En aan wie de schuld, wanneer men den eerbied voor de wet en wettige machten met den dag ziet afnemen? Aan de vertegenwoordigden?”

Op filosofisch terrein is een warme strijd uitgebarsten tusschen dr. Spruyt, dien men voorstander zou kunnen noemen van ’t ideaal-realisme, en die met Schopenhauer en Hartman mede gaat, en de professoren Opzoomer en v. d. Wijck, de kampioenen voor de wijsbegeerte der ervaring. Prof. de Bosch Kemper zegt omtrent dezen strijd: »Wij hebben vele bizondere aanmerkingen tegen de opstellen van den heer Spruijt; maar in weerwil van al die aanmerkingen hebben wij uit zijne opstellen veel geleerd, en staan wij in de twee hootdpunten van het verschil meer aan zijne zijde, dan aan die van de hh. Opzoomer en van der Wijck. Wij blijven onze overtuiging handhaven, dat de ervaringsfilosofie te onvolledig is, om zekerheid te schenken, — en te eenzijdig, om vele verschijnselen in hun samenhang te verklaren. Wij ontkennen de groote verdiensten van de ervarings-filosofie geenszins, en beweren niet, dat het idealisme alles kan ophelderen. Op het standpunt, waarop de mensch in het heelal geplaatst is, kan hij niet alles weten. Al zijn weten — is stukwerk, — is wordend weten; maar bij dat stuksgewijze weten is toch zekerheid te verkrijgen, om in te dringen tot die volle waarheid, die wij telkens meer tot het bewuste leven van den vooruitgang noodig hebben. En de weg, om tot die zekere kennis te komen, is de erkenning, dat er wezenlijk geest — en wezenlijke ideeën in de wereld zijn, en dat wij den aanleg in ons bezitten, om eene hoogere, eene metaphysische kennis te erlangen. Zoo er al in den mensch geen aangeboren begrippen zijn, er zijn toch aangeboren instinken, eigenschappen, beginselen van gezonde begrippen, — begripsvormen, zooals de heer Spruijt zulks noemt in zijne beide laatst vermelde zoo belangrijke artikelen, terwijl prof. Schröder ze als grondwaarheden deed kennen. De naam doet minder ter zake, maar het wezenlijke is: of, vóór elke ervaring in den menschelijken geest eigenschappen aanwezig zijn, om zekerheid te erlangen. Bij het onderzoek van die eigenschappen van den menschelijken geest moet elke wijsbegeerte aanvangen. Het idealisme en de ervaringswijsbegeerte moeten verder voortdurend elkander ondersteunen, en in den loop der menschelijke ontwikkeling hebben zij dit altijd gedaan en zullen zij dit altijd doen. Van Plato en Aristoteles af, is er een strijd tusschen het idealisme en het realisme geweest, en mochten die richtingen al dikwijls eenzijdig zijn afgedwaald, telkens zijn zij toch weder tot elkander genaderd, en hebben belangrijke resultaten van elkander overgenomen.”


BINNENLAND.



— In de vergadering der vereeniging ter bevordering van krijgswetenschappen te ’s Hage is gisterenavond de diskussie over het stelsel van algemeenen dienstplicht voortgezet en ingeleid door kapt. van Tuerenhout. Door dezen spreker werd op den voorgrond gesteld, dat alles wat op de defensie betrekking heeft, nog steeds in de eerste plaats aan de orde is, niet alleen in ons land, maar in de verschillende staten van Europa. Hij gaf aan, wat daaromtrent is gebleken in België, Frankrijk, Engeland, en hoe men in Rusland, Italië en zelfs in Japan tot het invoeren van algemeenen dienstplicht heeft besloten en uit de hoop, dat dit ook spoedig bij ons het geval moge zijn.
Daarna werd aangetoond, dat tusschen algem. dienstplicht en algemeenen oefenplicht, waarvan men bij ons veelvuldig spreekt, eigenlijk geen verschil bestaat.
De verplichtingen en rechten der dienstplichtigen in N.-Duitschland, die niet tot het aktieve leger behooren, werden door spr. daarom zoo uitvoerig behandeld, om aan te toonen, hoever wij ook in dit opzicht bij N.-Duitschland achterstaan. Men stelt zich daar steeds ten doel, om bij de bevordering der militaire belangen zoo min mogelijk zoowel maatschappelijke als individueele belangen te schaden. Hierdoor heeft het Pr. stelsel veel voor boven het onze, hetwelk spr. met voorbeelden staafde.
Daarna ging hij over tot eenige algemeene denkbeelden omtrent de toepassing van het stelsel op ons land, en stelde daarbij op den voorgrond, dat hij niet een onverbeterlijke organisatie wilde aangeven, doch alleen doen zien, welke resultaten men, zooveel mogelijk met behoud van het thans bestaande, door invoering van algemeenen dienstplicht zou kunnen verkrijgen.
Als eischen werden door hem o. a. gesteld afschaffing van plaatsvervanging, wijziging der bepalingen omtrent het aannemen van vrijwilligers, (lokaliseering van militie); kortere diensttijd en voorrechten voor wetenschappelijk ontwikkelden; inkrimping van den diensttijd voor meer geoefenden, enz. Hij kwam tot het besluit, dat men in oorlogstijd een leger van ruim 115.000 geoefende manschappen zou kunnen onder de wapens brengen; terwijl bovendien voor een behoorlijke aanvulling was zorg gedragen.
De Voorzitter stelde voor, de diskussie dien avond slechts te voeren over het in de vergadering van 12 Maart ll. behandelde, en die over het laatst besprokene wegens den grooten omvang der zaak uit te stellen tot een volgende vergadering. Daarop ontving de heer Stieltjes het woord, om nog eenige opmerkingen te maken omtrent het 14 April door den heer v. T. en andere heeren gesprokene. Na hem werd nog kort gesproken door den heer Robidé van der Aa, den voorzitter, de heeren Bredius en van Tuerenhout, voornamelijk over de wijze waarop de loting in Noord-Duitschland plaats heeft en over de eischen onzer grondwet. Men was van mening, dat deze geenszins aan de invoering van algemeenen dienstplicht in den weg stond.



Z. M. stoomschip het Loo, komm. Wright, dat gedurende eenigen tijd te Delfzijl is gestationeerd geweest, om toezicht te houden op de karantainemaatregelen,' is thans weder in het Nieuwediep teruggekeerd.



— Zaterdag arriveerde te Rotterdam per Rijnspoor, komende over Utrecht van Harderwijk een detachement suppletietroepen, sterk 119 onderofficieren en manschappen onder geleide van den van verlof naar Java terugkeerenden maj. der inf. van het leger in N. I. W. G. A. L. van Bennekom en onder medegeleide van den 2. luit. der inf. van dat leger C. C. F. J. Hirschmann, mede van verlof terugkeerende, en de 2. luits. van dat wapen P. F. T. van Veen en T. Soeterik. Genoemde troepen marcheerden in goede orde naar het onder de boompjes voor hen gereed liggende Nederl. klipperfregatschip Noach I, gezagvoerder J. van Schelven, waarmede onder gunstige gelegenheid de reis naar Java zal worden aanvaard.

— Van de 26 jongelingen, die tot dienstname bij het instruktie-bataljon te Kampen waren opgeroepen, zijn er 23 opgekomen; van deze zijn er twee afgekeurd, zoodat er 21 bij genoemd bataljon zijn ingelijfd geworden. Men verwacht in de maand Januari a. s. weder eene oproeping.



— De minister van binnenl. zaken heeft, bij beschikking van 13 Nov. jl., vastgesteld de lijst der stations voor de beambten van den waterstaat, voor den buitengewonen dienst en de korrespondentie langs de dijken, gedurende ijsgang en hoog opperwater op de rivieren, in den winter van 1871 op 1872, en daarbij onder anderen bepaald, dat zullen worden gestationeerd te: Gorinchem of elders: C. Brunings, inspekteur (adr. Gorinchem), A. J. van den Berg, buitengewoon opzichter; Vianen A. N. van Munster, ingenieur, M. S. Lugten, opzichter; Ameide, S. G. W. van der Straaten, buitengewoon opzichter; Schoonhoven, J. van der Vegt, ingenieur, J. J. Goodwill Hofman, buitengewoon opzichter; Krimpen A. Bennik Hzn., bakenmeester; Gorinchem, J. F. Augier, hoofdingenieur, L. H. J. J. Mazel, idem, J. van der Toorn, ingenieur, F. C. Brak, opzichter, J. Zemel, buitengewoon opzichter, N. C. Ligt idem, Hardinxveld C. P. E. Ribbius, buitengewoon opzichter; Asperen O. A. Koorevaar, opzichter; Sliedrecht C. van der Vlies, buitengewoon opzichter; Dordrecht J. G. Lugten opzichter; Alblasserdam C. Hooghwinkel, buitengewoon opzichter; Rotterdam C. J. de Jong van Beek en Donk, buitengewoon opzichter.



— Tot lid der kamer van koophandel te Delft, is verleden week gekozen de heer P. C. Lans met 23 van de 28 uitgebrachte stemmen.



— Door de kommissie uit het provinciaal gerechtshof in Noord-Holland, belast met het afnemen der examina aan adspiranten tot het notarisambt, is, van de vijf aspiranten toegelaten de heer H. J. van Doorn R. Az te Amsterdam, zijnde de overige afgewezen.



— Zaterdag is het loggerschip Claire Jeanne door den nieuwen waterweg naar Rotterdam binnengevaren. De N. R. Ct. verneemt daaromtrent, dat dit schip met zeer laag getijde, en zonder sleepboot, is opgezeild tot Maassluis. Het is het eerste schip, dat van den nieuwen waterweg heeft gebruik gemaakt om binnen te komen.
De vroeger vermelde visch-loggerschepen waren er slechts uitgezeild.





FEUILLETON.



HISTORISCH-LITTERARISCHE KORRESPONDENTIE.

XVI.


Ditmaal nog niet over het Paviljoen te Haarlem, maar een enkel woord over de onlangs geslotene tentoonstelling van schilderijen, gehouden in de lokalen der voormalige koninklijke akademie van beeldende kunsten te Amsterdam. Het eerste toch is blijvend, het andere was een voorbijgaand genot, waaromtrent wij althans iets willen bijdragen, om het aandenken er van te bewaren.
De bedoelde lokalen, gelegen aan de rechterzijde (komende van de Kloveniers-burgwal) van den doorgang, aan welks einde zich het museum »Van der Hoop, — waarvan wij vroeger gewaagden — bevindt, bevatten eene reeks van zalen met glas overdekt en alzoo zeer doelmatig voor eene tentoonstelling van schilderijen verlicht. Het was eene zeer bewolkte lucht, toen ik mij aldaar bevond, en eenmaal zelfs kletterden de regenvlagen zoo hevig op de glazen daken, dat hooren en zien, zoo men zegt, ons verging en dat wij aan eene ontzettende hagelbui geloofden, zoodat velen meenden, dat de doorzichtige bedekking zou bezwijken, en toch waren de schilderijen minstens even goed te bezichtigen als op het Trippenhuis met zijne verlichting van ter zijde, bij eenen helderen dag het geval is.
Het geheel der tentoonstelling maakte een aangenamen indruk, ook al miste men er stukken als de Christus consolator van Scheffer of de Rassia van Cermak, die met overheerschend geweld onze aandacht tot zich trekken. Landschappen, stil-levens en zoogenaamde genre-stukken maakten het voornaamste gedeelte van de tentoongestelde kunstschatten uit. Vooral de eerstgemelden waren talrijk en waardig vertegenwoordigd. Ze allen te noemen zou ons te ver heen leiden, maar wij mogen toch den met den gouden eerepenning bekroonden meester J. van de Sande Bakhuyzen te ’s Gravenhage, en zijn Vijver in het Haagsche Bosch; W. Bode te Dusseldorp het Etschdal bij Meran; A. van Everdingen te Utrecht, bij het optrekken van den Morgennevel; J. W. Bilders te Amsterdam, een gezicht bij het kasteel Hacfort bij Vorden; J. G. Hans te ’s Gravenhage, een Hollandsch Landschap en het Höllenthal; F. Hengsbach te Dusseldorp, Lausanne met het meer van Genève; O. van Kamecke te Weimar, het Opper Linthdal; K. Karsen te Amsterdam, Herinnering aan de Inn; A. Nordgren te Dusseldorp, Zweedsche Waterval; O. Press te Berlijn, het opkomen der maan bij de Will en Wetterhorn; P. Stortenbeker te ’s Gravenhage, bij Zonsondergang, en eindelijk: S. L. Verveer te ’s Gravenhage, een namiddag op de duinen, niet onvermeld laten. Wil men in deze afdeeling ook de zeegezichten bevatten, zij bieden, ofschoon minder in aantal, niet minder genot. Wij wijzen slechts op het strand bij Napels van A. Arnz, te Dusseldorp; op twee schilderijen, van H. Gude te Karlsruhe: een stille zee en eene voorstelling van de Noorweegsche kust, beiden en vooral het laatste indrukwekkend en ernstig stemmend; twee warm geschilderde Middellandsche zeegezichten van J. Hilverdink te Amsterdam, waarvan vooral het strandgezicht zich oogbekorend voordoet; een zonsondergang te Scheveningen, van H. W. Mesdag te ’s Gravenhage, wiens vreemdsoortige arbeid mij ditmaal veel beter dan vroeger voldeed, al kan ik mij met zijne opvatting der natuur nog niet geheel vereenigen; het Havenhoofd te Cuxhaven bij opkomende donderbui, van C. Saltzmann te Berlijn, — en moeten dan nog veel schoons onvermeld laten. Zoo is het ook met de stil-levens, met de bloem- en fruitstukken, waartoe de Nederlandsche kunstenaressen zulk eene aanzienlijke bijdrage geleverd hebben en waartoe vooral behooren twee stukken van A. Haanen te Oosterbeek en het Stil leven en In de Herfst van Maria Vos te Oosterbeek, beide laatsten met de gouden medalje der gemeente Amsterdam bekroond; van kerkgezichten trokken het meest onzen aandacht: de Hoofdkerk van Trier, door J. Bosboom te ’s Gravenhage en In den Dom te Halberstadt van C. Graeb te Berlijn, het laatste mede met den gouden eerepenning van Amsterdam beschonken. Van de genre-schilderijen troffen ons vooral Oranje-klanten en Keezen van D. Bles te ’s Gravenhage, door geestigheid en gemak van konceptie; Hond en Kat van mevr. H. Ronner Knip te Brussel; de slachtoffers van den oorlog door J. M. Schmidt Crans te ’s Gravenhage, aan welke gevoelvolle schilderij ook de gouden eerepenning van de gemeente Amsterdam mocht te beurt vallen.
Ik zeide daar zooeven, dat het historievak op deze tentoonstelling ontbrak, maar geheel juist was dit toch niet: want de jonge Petrus Paulus Rubens en Meester Adam van Oort, door G. Stever te Dusseldorp, is eene zeer verdienstelijke schilderij en de waarschijnlijk grootste der aanwezige schilderijen, Messalina uit Rome vluchtende, door het volk vervolgd, van A. Hennebecq te Bergen, mocht mede met recht den gouden eerepenning der gemeente Amsterdam wegdragen. Het spreekt van zelf, dat met deze vluchtige beschouwing niet al het schoons is aangewezen, dat de reeks van zalen ons aanbood en waaronder wij ook nog de teekeningen en gravures, waarbij veel treffends, slechts ter loops vermelden kunnen, daar wij nog een oogenblik zullen stilstaan bij hetgeen de beeldhouwkunst ons te zien gaf. Daarbij werkte echter de bewolkte hemel nadeeliger, aangezien de daarvoor bestemde zaal zijdelings en veel minder gunstig verlicht was dan de overige lokalen. Hadden die schoone voortbrengsels der zusterkunst zich echter in de hoofdzalen bevonden, wellicht waren zij er in geslaagd veel van onze aandacht van het overige af te leiden. De marmeren buste van eene jonge Albaneesche van Eduard Muller te Rome, met den gouden eerepenning door de gemeente Amsterdam begiftigd, was welligt het schoonste van hetgeen men daar zag, maar toch, onwederstaanbaar werd ik geboeid door eene Silvia (marmer) zich in het water spiegelende van Francisco Barzaghi te Milaan, terwijl ook enkele stukken in klei en brons mijne aandacht trokken. Zoo was dan weder een in zijn geheel niet meer weder te geven genot gesmaakt; mochten deze regelen er toe leiden om bij hen, die hetzelfde genoten, eenige oogenblikken de herinnering er aan op te wekken en eenigermate levendig te houden.

In langen tijd sprak ik niet van het tooneel en veel heb ik in den afgeloopen zomer ook niet gezien, maar ik mag toch niet verzuimen een enkel woord te wijden aan eene lieve verschijning, die ik, ik moet het bijna met schaamte belijden, voor de eerste maal heb aanschouwd. Ik zag, namelijk te Amsterdam, in: De Graaf de Saules, in het parklokaal van van Lier, mevrouw Beersmans optreden in de rol van de Gravin. Het stuk kan ik niet in allen deele toejuichen, ofschoon het treffende momenten bevat, maar het eenvoudige en roerende spel der Vlaamsche kunstenares, bijgestaan door eene verdienstelijke omgeving, wist er eene bezieling aan te schenken, die den toeschouwer aangreep en medesleepte.
Gedurende de kermis gaven de koninklijke tooneelisten van ’s Hage hier te Delft eenige voorstellingen, waarvan ik er slechts twee kon bijwonen en wel: De schipbreuk van de Medusa, in weerwil, van ons daarvoor wel wat bekrompen, tooneel, vrij goed afgespeeld, en Parijsche zeden, een stuk, dat van allerlei intriges aan elkander hangt, maar eigentlijk geen of een zeer alledaagsche strekking heeft. Wat de opvoering betreft, het is weder een van die stukken, waarvoor ons tooneelgezelschap juist berekend is en waarin de hoofdrol (de barones d’Auge) zeer verdienstelijk door mevrouw Valois werd vervuld.
Nog had ik te Amsterdam in Marie Jeanne of De vrouw uit de volksklasse, mevrouw Kleine-Gartman zien optreden, maar zelfs haar aangrijpend spel in dat door haar geliefkoosde stuk kon bij mij de ergernis niet geheel verdrijven, dat ik haar weder in een soort van kermistent, nu een andere dan voorleden jaar, ditmaal buiten de Wetering-barrière, moest aantreffen. Ik zal niet herhalen, wat ik daarbij, evenals toen, gevoelde, maar alleen zeggen, dat het niemand zal verwonderen, dat ik verheugd en verrast het bericht las van de opvoering in de hofstad en wel in den koninklijken schouwburg van Judith, door het Amsterdamsche tooneelgezelschap op 29 September ll. Onverwachts zeg ik: want terwijl men anders nimmer de gelegenheid laat voorbijgaan iedere bizondere gebeurtenis in den schouwburg vooraf te bespreken en veelal den plicht tot getrouwe opkomst aan te moedigen, ditmaal was er, zoover ik weet, nergens een woord van aanbeveling gesproken, niettegenstaande de opvoering nog wel een weldadig doel had. De zaal was dan ook slechts redelijk bezet, ofschoon men mij zeide, dat het er »voor eene Hollandsche komedie” vol was. Werd dit ook verklaard door eene opmerking van mijn buurman »zoo iets ziet men hier niet alle dagen?”
Na den afloop is echter dit verzuim eenigermate vergoed door een waardig verslag van de uitvoering, al kunnen wij ons met de steeds herhaalde vergelijking van mevr. Kleine met mevr. Ristori, noch met de aanmerking op het spel van deze laatste — waarin mevr. Kleine haar zou hebben nagevolgd — vereenigen. Wat