Naar inhoud springen

Pagina:Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad 1873 no 331.pdf/1

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
No. 331
Ao. 1873
Maandag 1 December.
UTRECHTSCH
PROVINCIAAL EN STEDELIJK DAGBLAD.

Prijs der Advertentiën.

Van 1—5 regls .... ƒ 1.—.
Elke regel meer .... „ 0.20.

BUREAU: Korte Nieuwstraat.

ALGEMEEN ADVERTENTIE-BLAD.

Enkele nommers verkrijgbaar aan het Bureau à 5 Cents.

Prijs van het Dagblad

per 3 maanden.

Franco per post .... ƒ 5.50.
Voor de stad Utrecht .... „ 5.—.

Uitgevers: L. E. BOSCH & ZOON.



UTRECHT, 30 November.

Buitenlandsch overzicht.

Heden zou in Frankrijk de behandeling plaats hebben van de interpellatie over den staat van beleg, maar de laatste berichten doen het onzeker schijnen, of het wel gebeuren zal.
Men zegt, dat het ministerie een uitstel zal vragen, op grond dat de staat van beleg het onderwerp zal uitmaken van een wetsontwerp, dat binnen kort zal ingediend worden.
De Liberté zegt, dat de staat van beleg in alle departementen opgeheven zou worden, maar dat de dagbladpers overal onder een regime zou gesteld worden, dat slechts in naam van den staat van beleg verschilt.
Het wetsontwerp op de benoeming der maires en de gemeentepolitie vond zelfs bij de rechterzijde weinig bijval en men zegt, dat dit den hertog de Broglie teruggehouden heeft de urgentie er voor te vragen.
Een telgram bevestigt, dat het geschil tusschen 'Spanje en de Ver. Staten in hoofdzaak bijgelegd is. Er blijkt tevens uit, dat ditmaal de regeering te Washington volstrekt niet geneigd was, om de zaak tot het uiterste te drijven.
Nadat men in Pruisen lang in de onzekerheid verkeerd had, of het wetsontwerp over het verplicht burgerlijk huwelijk nog in deze zitting van den Landdag zou ingediend worden, verzekert thans de Spen. Ztg., dat Bismarck en de overige ministers het eens geworden zijn over een ontwerp, dat reeds aan de goedkeuring van den keizer onderworpen is.
Dientengevolge zouden de leden van den Landdag, die een wetsontwerp op het verplicht burgerlijk huwelijk wilden indienen, van hun voornemen afzien.

Kamere en Persnieuws.

*— Per telegraaf meldt men ons uit ’s Hage:
In de Tweede Kamer heeft de min. van buitenl. zaken een telegram van den gezant te Berlijn medegedeeld, waarin gemeldt wordt dat afdoening der onderhandelingen met Pruissen Oldenburg zeer waarschijnlijk is en een zeer nabijzijnde beslissing doet voorzien.
Dit betreft de Aansluiting van den Noorderspoorweg.

’t Wordt eindelijk tijd, zegt de Rott. Ct., dat onze minister van marine eens een opvolger krijgt. — Reeds meermalen drong zij aan op versterking van ’s lands weerbaarheid en van onze zeemacht. Verstandige spaarzaamheid acht zij goed, maar bekrompen zuinigheid is niet genoeg te wraken. Wel werd in de laatste jaren niet te weinig voor landen zeemacht besteed, maar de aanwending der gelden was ondoelmatig. Dit moest leiden tot heillooze uitkomsten. De tegenwoordige min. van marine heeft als chef van zijn departement volkomen fiasko gemaakt, en nog niet eenmaal een minimum der eischen vervuld, die men in billijkheid hem mocht stellen. Wat hij verrichtte met betrekking tot materieel en personeel der zeemacht liet ontzaglijk veel te wenschen over. Het personeel der marine is onder het bestuur van dezen minister, zowel in getal als in gehalte, achteruit gegaan. Het uitzenden van schepen tot het vertoonen der vlag en tot vorming van scheepsvolk acht de heer Brocx minder noodig. Met allen grond is aan te voeren — zegt de R. C. verder — dat de menschenlevens en de millioenen, waarop de eerste expeditie naar Atsjien ons te staan kwam, dat de groote opofferingen, welke wij ons nu moeten getroosten, vooral te wijten zijn aan de verwaarloozing der marine in Indie. De staat der Indiesche marine was alles behalve gunstig. Daarop had hij zijn ambtgenoot voor kolonien opmerkzaam kunnen maken. Door dit na te laten komt de verantwoordelijkheid voor de treurige gebeurtenissen in Indie voor een groot deel op hem neder. Wel trachtte de heer Brocx in zijn memorie van beantwoording zijn vijfjarig bestuur te rechtvaardigen, maar tegen de brutale kracht der onloochenbare feiten baten geen redeneeringen, geen uitvluchten, zelfs geen air van verontwaardiging. Reeds vijf jaren werd zulk een minister aan de groene tafel geduld en kon hij onder de leden der Kamer nog verdedigers vinden. Zou het nu eindelijk geen tijd worden, dat men hem door het afstemmen van zijn begrooting, beleefdelijk uitnoodigde met een maximum van pensioen, na een minimum van ministerieele veerkracht ontwikkeld te hebben, tot het ambteloos leven terug liet keeren? vraagt de R. C., die hare pessimistische beschouwingen besluit met de volgende woordspeling: »Liet men hem nu nog niet »opstaan”, dan zou de toekomst onzer marine hier en in Indie er leelijk mee »zitten.”

— De Stand. hare verhouding tegenover Rome besprekende, zegt dat in den strijd, die door Rome tegen het radikalisme ondernomen werd, voor de anti-revolutionaire partij drieërlei standpunt denkbaar is: Ze kan òf als bondgenoot van Rome tegen het radikalisme strijden; óf als bondgenoot van het radikalisme tegen Rome partij kiezen; òf eindelijk, elk bondgenootschap afwijzende, ook bij dezen strijd trouw aan haar leus blijven: »In mijn isolement ligt mijn kracht!” Beginnende met den eersten voorslag, wijst de St. er op, hoe mannen als v. Gerlach, in Duitschland, en Guizot, in Frankrijk, e. a. er de aandacht op gevestigd hebben, dat, daar ’t radikalisme zijn aanvallen tegen alle geloof richt en de protestantsche en roomsche kerken dezelfde slagen ontvangen en eenzelfde gevaar loopen, deze de warmste sympathie voor elkaar moeten gevoelen bij de worsteling en zich moeten vereenigen voor de verdediging van een gemeenschappelijk belang. Geen dezer kerken is alleen tegen den strijd bestand. Doch, zegt de St. verder, in het voorgestelde bondgenootschap schuilt een feil: er ontbreekt o. a. weerkeerigheid; »de roomsche kerk verklaart niet, dat ze met terzijzetting van onderling verschil ons steunen wil.” Waar de St. wil, dat protestanten en katholieken elkaar beslist en met geestdrift de hand moesten reiken, om het dierbaar kleinood van het heilbrengend, bovennatuurlijk geloof te redden — daar verbinden de roomsche schrijvers hieraan onmiddellijk de gedachte: »Protestanten, die eenmaal dezen stap doen, keeres van lieverlee tot de roomsche moederkerk terug.” Er wordt met zelfvoldoening op gewezen, dat de verzoening tusschen protestanten en katholieken dit voor de roomsche kerk zoo gunstige resultaat reeds droeg. — Zoo echter, zegt de St., is de voorslag niet door Guizot e. a. begrepen. Hun denkbeeld was: De twee kerken hebben eenmaal haar wederzijdsche grenzen. Dat blijve gelijk het is en als twee zelfstandige machten vereenige men zich. Doch behalve dat weerkeerigheid ontbreekt, ten bewijze waarvan de St. nog tal van voorbeelden aanhaalt, kan ook worden aangetoond, dat de krachten waarover men beiderzijds beschikt niet op voet van gelijkheid staan. — Gesteld dat het radikalisme, de revolutie, uitgeroeid werd, dan bleven de hervormde belijders van den Christus naar de schriften alleen met de ultramontranen. Wat zal dan de positie der eersten zijn? Of hun macht zal die van Rome evenaren, òf Rome geeft allen toeleg op om hen in de moederkerk te doen terugkeeren. Het laatste echter nimmer. Rome geeft dien toeleg nooit prijs. Waarborg voor eigen veiligheid zou dus uitsluitend in kracht tot verweer te zoeken zijn. Op de betrekkelijke macht der eventueele bondgenooten komt het bij elke profetie voor de toekomst aan. En dan acht de St. het buiten kijf, dat Rome verre, zeer verre de machtigste zou zijn. Toch zou de ongelijke verhouding in getalsterkte nog het minste vrees behoeven in te boezemen, bleek het nog maar, dat organisatie tegenover organisatie stond, het protestantisme als één korps tegenover het ééne Rome. Dit echter is er verre van af, noch in Duitschland, noch in Frankrijk, noch in ons land. De ultramontanen beschikken in de Kamer over 16 leden, en op hoeveel kunnen wij rekenen? vraagt het anti-revol. orgaan. Op vier, hoogstens zes leden. Konservatieven en liberalen zullen wel roomschen kiezen, maar een anti-revolutionair te benoemen komt hen niet in den zin. Alleen herziening van art. 194 zou daarin verandering brengen, maar dat wil Rome natuurlijk niet.

— Omtrent het debat in de Tweede Kamer over een onwettig ingrijpen in den werkkring der rechterlijke macht, naar aanleiding van het onderzoek omtrent den dubbelen moord te ’s Hage, zegt het Paleis van Justitie, dat het voor het recht en de vrijheid der burgers niet alleen, maar ook voor de waardigheid der rechterlijke macht eene hoogst bedenkelijke zaak zou zijn, wanneer iemand anders dan de bevoegde personen ingreep in het voorloopig onderzoek eener strafzaak. De inmenging van den kommissaris van politie in den werkkring van den rechter-kommissaris verraadt de onwetendheid ten aanzien van eigen bevoegdheid, of geringschatting van de rechterlijke bevoegdheid de eenige verontschuldiging is overdreven ambtsijver. Die inmenging van den kommissaris van politie schijnt geschied te zijn buiten voorkennis van den prokureur-generaal in Zuid-Holland, en daarenboven heeft men, als bij verrassing en ter sluiks, een bekentenis willen afdwingen, die men langs een geoorloofden weg niet kon verkrijgen. Men heeft daartoe nog wel zijn toevlucht genomen tot een boerenbedrog, als het spiritisme, het geloof aan spoken en geestverschijningen in modernen vorm. Het blad acht het den plicht der rechterlijke macht, om tegen dergelijk ingrijpen in haar bevoegdheid formeel te protesteeren, ter plaatse waar het behoort. In Amsterdam kan men zich niet voorstellen, hoe iets dergelijks heeft kunnen voorvallen onder den rook van het departement van justitie.

— ’t N. v. d. D. wijdt een woordje aan Sinterklaas, terwijl hij onderweg is. ’t is een genot, zegt ’t blad, de onzen door kleine geschenken gelukkig te maken, doch alles komt aan op de manier. Vele menschen volgen een geheel verkeerde manier. Elke gelegenheid nemen zij te baat, om geschenken te geven; elken jaardag, ja soms elken avond doen zij de rondte langs de ledikantjes hunner kinderen en verbergen speelgoed onder de kussens. Zulk een overdadige mildheid is de manier niet. — Anderen volgen een tegenovergestelde methode. Zij houden uit beginsel steeds de beide handen op der zak. Nooit nemen zij een gulden er af om stille wenschen te vervullen. Dat is de manier ook niet. Als uwe kinderen weten, dat ge iets missen kunt, en ge doet het niet, dan geeft dit verkeerde gevolgen. — Altijd Sinterklaas is niet goed, maar nooit Sinterklaas is nog leelijker. — Verder zegt ’t N. v. d. D., dat de geschenken van Sinterklaas steeds zoo moeten zijn, dat zij in een surprise kunnen worden opgesloten. Groote, prachtige cadeaux kunnen voor andere gelegenheden dienen. Kleine geschenken hebben het voordeel, dat men ze met tegengeschenken van gelijke waarde kan beantwoorden, dat niemand verlegen zit met de vraag waardoor en hoe hij zooveel vriendelijkheid en royaliteit verdiend heeft; vooral ook dat men er gevoegelijk die kleine plagerijen aan verbinden kan, welke menig huisgezin op Sinterklaas tot een avondschool voor geestigheid, poëzie en doodonschuldige satire maken. Er blijft in het begrip van klein toch nog speelruimte genoeg, om de teederheid van liefde of vriendschap aanschouwelijk, ja zelfs op z’n aanschouwelijkst voor te stellen.



BINNENLAND.

— Bij den gemeenteraad van Amsterdam is ingekomen eene voordracht van B. en W. over de heffing op de Keulsche Vaart, naar aanleiding der vraag door den kommissaris des konings, namens de regeering, tot B. en W. gericht, of Amsterdam in het belang der scheepvaart, mede wil werken tot vermindering der heffingen, hetzij door haar alleen, hetzij te zamen met Weesp, op die vaart geheven, als een middel om de lasten op die vaart te verminderen.
B. en W. stellen voorop, dat de verlevendiging der Rijnvaart voor de gemeente van het hoogste belang is, gelijk dan ook èn door den raad, èn door de kamer van koophandel, èn door de kommissie voor de Rijnvaart erkend is. Zij meenen echter, dat de brug- en sluisgelden, met het oog op de opbrengst, die slechts even voor onderhoud en bediening voldoende is, niet kunnen verlaagd worden, en dat liet niet aangaat, dit alleen voor de Rijnschepen te doen. Indien het der regeering ernst is met hare pogingen tot afdoende verbetering der Keulsche vaart, dan moet zij beginnen met eerst zelf de rijkstollen aan de Diemer- en Duivendrechtschebrug te verlagen of af te schaffen en het onderhoud van het Zandpad naar Weesp en ’s-Graveland voor rijks rekening te nemen. Maar de kwaal ligt niet in die heffingen; de geheele vaart moet verbeterd worden, welke zaak nog bij de regeering in onderzoek is. Om deze oplossing meer aan te dringen, stellen B. en W. voor, dat Amsterdam reeds nu zal verklaren, dat zoodra de regeering tot verbetering van het vaarwater zal hebben besloten en de rijkstollen en rechten zal hebben gewijzigd, ook de gemeente aanstonds bereid zal zijn hare tarieven daarmede in overeenstemming te brengen. In den geest dezer opmerkingen stellen B. en W. voor, een antwoord aan den kommissaris des konings te richten. Hbl.



Van wege het kommitee ter bespreking der sociale kwestie zal een adres aan den min. van fin. gericht worden, ten einde op de invoering van postspaarbanken hier te lande aan te dringen.



— De Kamer van Koophandel te Leiden heeft op nieuw hij den min. van fin. en de Tweede Kamer aangedrongen op de afschaffing van den akzijns op de zeep.



— Door 89 ambtenaren van de rijkstelegraaf, te Amsterdam, is aan de Tweede Kamer een adres gezonden, waarin zij op nieuw aandringen op verbetering hunner bezoldiging.



*— De Vereeniging Schuttevaar heeft met het oog op het stranden van een schip bij Workum, bij de Tweede Kamer op nieuw aangedrongen op het maken van een vluchthaven te Hindeloopen, waarvan de noodzakelijkheid wordt betoogd.



— In Zuidholland zijn nog tot kandidaat-notaris toegelaten de hh.; W. Krabbendam, uit Schiedam, V. J. G. Beelaerts van Blokland, uit ’s Hage, en J. Visser uit ’s Gravendeel.
In Noord-Brabant zijn als zoodanig toegelaten de hh. J. C. J. Jonkheer, van Ginneken; K. F. Bode, van Prinsenhage, en A. A. A. Staal, van St-Michiels Gestel. Drie adspiranten werden afgewezen.



— De min. van binnenl. zaken heeft aan het door de Haagsche Vereen. tot bescherming van dieren gedaan verzoek betreffende de proeven op levende dieren reeds voldaan, en heeft de kuratoren der rijks-hoogescholen en van het athenaeum te Amsterdam, zoomede den direkteur der rijksveeartsenijschool het verlangen van de Vereen. kenbaar gemaakt, dat proeven op levende dieren tot de volstrekt noodzakelijke gevallen mogen worden beperkt en dat gebruik gemaakt worde van de voorhanden middelen om het pijnlijke der kunstbewerking zooveel mogelijk te verzachten.



*— Thans wordt te Amsterdam ter teekening rondgezonden een adres aan den gemeenteraad, om te verzoeken, dat het aloude stadhuis aan zijne vroegere bestemming worde teruggegeven, en in de behoefte van een verblijf voor Z. M. den koning op andere, waardige wijze te voorzien.
Mocht het gebouw niet meer voor stadhuis geschikt zijn, dan wordt de wensch uitgesproken, dat dit aan de burgerij duidelijk worde aangetoond.



Maatschappij tot exploitatie van Staatsspoorwegen. In exploitatie 990 K.M. in 1873, tegen 989 K.M. in 1872. Gemiddeld sedert 1 Jan. 989 K.M. in 1873, tegen 964 K.M. in 1872.

Totale ontvangsten:
1873 tegen 1872
van 1 Jan.-18 Nov. ƒ 5,169,138.54 ƒ 4,673,472.615
19 Nov.-25 Nov. - 94,329.345 - 105,638 545


Totaal ƒ 5,263,467.885 ƒ 4,779,111.16

Gemiddeld per dag en per K.M. sedert 1 Jan. 1873 ƒ 16,18, tegen ƒ 15,02 in 1872.



— Van geachte zijde werd voor eenige dagen aan de Amst. Ct. het volgende medegedeeld:

»Onlangs is op de bijeenkomst der Hollandsche Maatschappij van Landbouw, in het Paleis voor Volksvlijt, ook ter sprake gebracht het aanleggen van een stamboek voor het rundvee, gelijk dat elders geschiedt. Nu valt mij in handen het Monthly report of the department of agriculture for Aug. and Sept. 1873 (Washington: governement printing office.) Daarin zie ik den uitslag vermeld eener verkooping van short horns, het eigendom van den heer Samuël Campbell, New-York Mills, State of New-York. Men staat versteld van de prijzen, aldaar voor koeien besteed, die zeker niet zouden behaald zijn, indien de afkomst der voorwerpen niet boven allen twijfel deugdelijk bewezen was geweest — waaruit alzoo de doelmatigheid en het nut van zulk een stamboek wel zeker wordt gestaafd.
»Bestede prijzen. Koeien 1. soort , zoogenaamde Duchesses (hertoginnen) dollars 5,700; 10,000; 15,000; 15,300, 15,600; 19,000; 25,000; 27,000; 30,600 35,000; 40,600, (ƒ 101,500). Onder de daaropvolgende Oxfords vindt men ook prijzen van 6, 7 en 9,000 dollars, terwijl onder de later komende Miscellaneous nog menig voorwerp, dat over de 1000 doll. opbracht, tot zelfs 5000 toe; en aller prijs bij honderden doll. genoteerd staat. De stier, genaamd 2. Duke of Oneida, bracht op 12000 doll., 4 Duke of Oneida 7600, 7. Duke of Oneida 4000. De stieren waren minder in aantal dan de koeien.
»De geheele opbrengst der verkooping was als volgt:

11 Duchesses, dooreen 21,709 dollars per stuk, 238,800 d.
7 Oxfords, dooreen 4514 doll. p .st., 31,600
74 andere koeien, dooreen 1086 doll. per stuk., 80,375


92 stuks, dooreen 3813 doll. p. st. 350,775 d.
17 stieren en stierkalveren, dooreen 1836 doll. p. stuk 31,215


199 stuks, dooreen 3504 doll. p. st. 381,900 d.

»Het Hollandsche vee beschouw ik als het beste melkvee in Europa, terwijl het tevens superieure hoedanigheden voor het vetmesten bezit.
»Als de Hollandsché veefokkers, met alle attentie op de zaak, ook een stamboek aanlegden en goed en deugdelijk bijhielden, geloof ik, dat in toekomstige dagen prijzen zouden behaald worden, die de fokkers zelven zeker zouden verbaasd doen staan.”

FEUILLETON.



JOHN STUART MILL’S

auto-biographie.


Toen John Stuart Mill dit leven verliet en de tijdgenooten — die sedert jaren den klank van zijn naam hadden vernomen, zijne werken bestudeerd hadden en bewonderend tot hem hadden opgezien, als tot een van de grootste denkers zijner eeuw, en over zijne sprongen als praktisch politikus het hoofd hadden geschud — een terugblik op zijn loopbaan wierpen, bleek het, dat men er bijzonder weinig van wist. Hij was, als zijns vaders zoon, op zijn 17. jaar in het India House aangesteld geworden, daar 35 jaar gebleven, had zich vroegtijdig een naam als wijsgeerig schrijver gemaakt, was 59 jaar oud zijnde voor Westminster in het Parlement gekozen en in 1860 bij de algemeene verkiezing uitgevallen. Dat was alles wat men van hem wist. Het baarde verwondering, dat een man, die op het tooneel des openbaren levens zoo krachtig en scherp was opgetreden, niet ook in het privaat leven meer in het oog was gevallen, tot men zich herinnerde, dat bij mannen als Mill, de levensgeschiedenis meer een geschiedenis des geestes en der gedachten, dan een keten van handelingen is. De wensch om nader kennis te maken met de ontwikkeling van dien uitstekenden geest, werd des te levendiger, en toen men vernam, dat de overleden wijsgeer in een eigen biografie de voor een juist begip van zijn levens- en gedachtenloop benoodigde bouwstoffen had nedergelegd, was de algemeens weetgierigheid niet weinig gespannen. Thans is het boek in veler handen [1]. Zij, die er een beeld dier wereld in verwachten, waarin Stuart Mill zich gedurende zijn 25 laatste levensjaren bewoog en over welke hij zulk een belangrijken invloed verkreeg, zullen zich teleurgesteld vinden. Het bevat weinig anekdotes en persoonlijke herinneringen, waarmede vele schrijvers een aan feiten arm leven gekruid en aantrekkelijk gemaakt hebben. In het voorbijgaan worden een aantal filosofen en schrijvers van naam genoemd, maar zij komen slechts voor als de uitingen der ideën en begrippen, die zij voorstonden. Het boek bepaalt zich geheel tot zijn onderwerp; slechts voor den denkenden lezer, voor den vriend en niet minder voor den tegenstander, bezit het daarom niet minder aantrekkingskracht, want het geeft ons een zelf-studie, een openbaring van het innerlijk leven en streven des schrijvers, die in helderheid en doorzicht, in waarheid en openhartigheid huns gelijken niet vinden.
Onder de redenen, die John Stuart Mill bewogen, om den gang zijner ontwikkeling van den beginne af voor de wereld bloot te leggen, noemen wij in de eerste plaats den wensch, om aan te toonen, hoe oneindig veel meer voor de vorming der jeugd gedaan kon worden, indien men een anderen weg dan den tegenwoordig zoo geliefkoosden pedagogischen grooten weg wilde inslaan en te dien einde ontrolt hij een zeer verrassend beeld van zijn kinderjaren. — Zijn vader was de bekende historicus van Indië, James Mill een rijkbegaafde, knappe kop en oorspronkelijk denker, maar stroef en hard van karakter en een echt dweeper met de vrijzinnige ideeën. Onder den inspannenden arbeid van veelzijdige ambtsbezigheden wijdde deze merkwaardig en eigenaardige man zich aan de opvoeding van zijn oudsten, in 1806 geboren zoon, John Stuart. Zijne moeder wordt nergens genoemd. Op een leeftijd, dat de meeste kinderen nog geen A, B, C leeren, werd Stuart Mill door zijn vader reeds het Grieksch geleerd. Hij zelf weet niet aan te geven, wanneer dit onderricht begon. Men heeft hem echter verteld, dat dit op zijn derde jaar was en hij herinnerde zich duister, dat Esopus fabelen zijn eerste lektuur waren. Xenophon’s Anabasis volgde en toen hij acht jaar oud was, had hij reeds den ganschen Herodotus, de Cyropaedie en de Memorabiliën van Xenophon, verscheiden biografiën van Diogenes Laertius, gedeelten van Lucian en Isokrates en de eerste zes dialogen van Plato gelezen. Nu werd het Latijn aangepakt en weldra moest de knaap daarin zijn jongere broeders onderwijzen.
James Mill, de vader, vond de ondernomen taak van de vorming van zijn zoon niet gemakkelijk. Er bestonden nog geen Grieksch-Engelsche woordenboeken en er bleef dus niets over, dan dat hij den knaap onder het werken aan zijn geschiedenis van Indië bij zich hield en zich elk oogenblik door een vraag naar de beteekenis van een onbekend woord liet storen. Van vrije of speeluren was voor den knaap even weinig sprake als van vakantie. Hij vergezelde zijn vader op diens wandelingen en doorliep tevens een filosofischen en politieken leerkursus. Nevens de oude klassieken, werd een bonte mengeling van andere boeken gelezen; Mosheims kerkgeschiedenis; Mr. Eries levensbeschrijving van den reformator John Knox’ en Rutties geschiedenissen der kwakers, benevens alle mogelijke geschiedkundige werken. Reisbeschrijvingen bleven ook niet ongebruikt en uitstekende uitspannings-lektuur, zoo als de geschiedenis van de Duizend en een nacht, Defoes Robinson Crusoe en Brooke’s »Een dwaas uit de samenleving” werden evenzeer gelezen. Van zijn achtste tot zijn twaalfde jaar las Stuart Mill een reeks Grieksch en Latijnscbe schrijvers, wier namen in de biografie bijna eene bladzijde vullen en zelfs een student in de klassieke philologie met schrik zouden vervullen. Als wij hooren, dat bij al die lektuur nog grondige studie in geometrie, algebra en hoogere mathesis komt, dat kan men begrijpen, hoe ernstig de jonge geleerde zijn tijd besteedde.
Niet te min vond hij op zijn elfde en twaalfde jaar nog gelegenheid, om een geschiedenis der Romeinsche wetgeving te schrijven, die hoofdzakelijk den strijd tusschen Patriciers en Plebejers behandelde. Van Niebuhr’s onderzoekingen wist de knaap niets. Met de bouwstoffen alleen, die hij bij Hoobe vond en uit de lessen zijns vaders putte, zette hij zich op grondslagen van in Livius’ en Dionysius’ gevonden datums, aan de rechtvaardiging der Licinische akkerwetten en aan de verdediging der Romeinsche demokratie in het algemeen. Met koenen moed besteeg hij terzelfder tijd het gevleugelde ros en beproefde zijne krachten vrij naar Pope, aan een voortzetting van Homerus Ilias. Toen hij twaalf jaar oud was, werd de knaap op een nieuw wetenschappelijk pad geleid. De vader wijdde hem in de logica in en maakte hem met de vak-werken, die over dit onderwerp bestonden, bekend. Dat de inhoud bij den knaap vleesch en bloed werd, daarvoor zorgde de vader, door bij zijn geregelde wandelingen de stof te verwerken. In Gods vrije natuur, waar andere jongens zich vrij bewogen en met dartele spelen verlustigden, spoorde John Stuart Mill met zijn vader de spitsvondigheden van wijsgeerige stelsels na. Op die grondslagen der filosofie volgde de studie der staathuishoudkunde, die even grondig werd behandeld, en de uitslag was, dat de jonge Mill op zijn veertiende jaar niet alleen de wetenschappelijke stof meester was, maar tot zelfstandig denken en oordeelen in staat was. Verlangen naar het gezelschap van speelnooten, naar de vriendschap der kinderjaren, schijnt hij nooit gehad te hebhen. Hij was in een andere wereld opgegroeid en wenschte niets wat hij zich niet kon voorstellen. De gedachte, dat hij iets ontbeerd had, omdat hij Grieksch had moeten leeren, op een leeftijd dat onze moeders ons sprookjes vertellen en vader de dolste en joligste spelen met ons begon, kwam nog niet bij hem op, toen hij op den drempel der grijsheid deze schets van zijn leven opstelde. Hij dacht er slechts aan, zijn tijdgenooten in te prenten van hoe veel belang een vroegtijdige kennismaking met de logica is en hoe zij den geest scherpt en tot juist denken vormt. Wel loopt er een klacht over den vader onder, maar die zelfs is karakteristiek; hij is slechts daarom over den harden leeraar ontevreden, omdat deze boos en norsch werd, als de knaap niet spoedig datgene vatte, wat hem zelf zoo klaar en duidelijk was. Overigens wordt met grooten nadruk betoogd, dat James Mill met zijn ontwikkelings-methode aan geen gril toegaf, maar een helder doel voor oogen had, om zijn zoon vroegtijdig de stof tot ontwikkeling te verschaffen en zijn geest te scherpen, ten einde hem tot een zelfstandige, krachtvolle individualiteit te vormen. Hoe de zoon over deze opvoeding dacht, blijkt het best uit zijn eigen woorden:
»In den loop van de ontwikkeling, die ik ten deele beschreef, treedt echter oppervlakkig het hoofddoel in het licht, om in de jaren der kindsheid reeds tot op een punt van wetenschap in die vakken van het onderricht, die men als het hoogere beschouwt, door te dringen, welke anders, indien zij al worden bereikt, gewoonlijk eerst voor den mannelijken leeftijd toegankelijk zijn. Het resultaat toont, hoe gemakkelijk dit te bewerkstelligen is en het ellendige verkwisten van zooveel kostelijke jaren, die men slijt met het aanleeren van een beetje Grieksch en Latijn, dat gewoonlijk op de school wordt onderwezen, treedt daarbij in het helderste licht. Juist deze verkwisting heeft zoo menig schoolhervormer tot den verkeerden voorslag gelei[d]


  1. Auto-biographie of John Stuart Mill, London, Langman, Green, Reader and Dyer 1873.