om de oude talen van het algemeene onderricht uit te sluiten. Had ik van nature een vlugge opvatting, of een goed geheugen ontvangen, of had ik een bijzonder levendig of energiek karakter bezeten, dan zou men deze proefneming niet beslissend mogen noemen, maar in al deze natuurgaven sta ik eer beneden, dan boven het middelmatige. Wat ik deed, was voor elken knaap of elk meisje van middelmatige begaafdheden bereikbaar en als ik het daarbij tot zekere hoogte heb gebracht, dank ik dit onder andere gunstige omstandigheden aan het feit, dat ik door de onder de leiding mijns vaders verkregen vroegtijdige ontwikkeling boven mijn jeugdige tijdgenooten wel een kwarteeuw vooruit had.”
Wat de inhoud van het bovenstaande betreft, kan men zonder bedenken met Mill instemmen met den wensch, dat onze jeugd met minder tijdverlies en vroegtijdiger dan tegenwoordig geschiedt, in het bezit kwame van de voor het leven zoo noodige algemeene kennis en meer in het geleerde mocht doordringen, dan de meeste jonge lieden, die de hoogere scholen bezoeken. Daar tegenover staat dat deze wensch niet zoo gemakkelijk te vervullen schijnt. Afgezien van de vraag, hoe vele ouders wel genegen zouden zijn, om de mogelijke voordeelen te koopen voor de onschuldige genietingen der jeugd, waarvan zij hun kinderen zouden berooven, mag men ook bij alle achting voor Mill’s zelfkennis wel betwijfelen, of bij vele kinderen de aangeduide methode zou slagen. Daarbij kwam dan nog de groote vraag: waar de leermeesters te vinden? John Stuart Mill moge gelijk hebben of niet, als hij zich als middelmatig begaafd beschouwt, zoo veel staat vast, dat zijn vader een leermeester was, zoo als er slechts weinigen te vinden zijn. De oude Mill was oorspronkelijk voor den geestelijken stand bestemd, maar had zich langzamerhand van de streng godsdienstige begrippen ontdaan. Zijn logische kop, wars van alle fantastische bespiegelingen, verwierp het dogmatische atheïsme en bleef bij de overtuiging staan, dat van den oorsprong der dingen niets te zeggen of te begrijpen valt. De verschillende godsdienstige leerbegrippen haatte hij oprecht; het christendom was voor hem de verpersoonlijkte goddeloosheid, omdat in het christelijk systeem, in de hoogste volmaking het menschelijk begrip van het goddelooze ontwikkeld en tot Godheid zelve verheven was. Dat was de hoofdinhoud van het theologische leerbegrip, wat James Mill zich had gevormd en dat hij in het jeugdig gemoed zijns zoons plantte. Zoo kwam het — zegt deze dat ik een der zeldzame voorbeelden in ons vaderland ben van iemand, die niet het godsdienstig geloof wegwierp, maar het nimmer bezat. In dat opzicht groeide ik volkomen negatief op. Ik beschouwde de moderne godsdienst evenals de oude systeemen, als iets wat mij volstrekt niet aanging. Stuart Mill bleef zijn leven lang bij deze opinie, hoewel hij ze niet dikwijls uitte. Zijn vader had hem geraden die godsdienst-looze ideën voor zich te houden; intusschen uitte hij in zijn boek de overtuiging, dat de vaderlijke raad op dit punt gedwaald had, dat elk, die daartoe in staat was, zoodra hij de overtuiging had verkregen dat de heerschende begrippen schadelijk waren, verplicht was, die overtuiging kenbaar te maken.
Op zijn vijftiende jaar was de zoo buitengewoon voor het leven voorbereide jongeling gereed, om de wereld in te treden. Hij bracht een jaar door in Frankrijk en dweepte onder het bestudeeren der geschiedenis van de revolutie, gloeiend voor de Girondisten. Toen werd hij ook bekend in de kringen der groote mannen, waarmede zijn vader verkeerde. Austin en Bentham Grote, Ricardo en Macauly werden hem bekend. Hij vond onder de jeugdige aanhangers van Bentham geestverwanten en stichtte een debating-club, die onder anderen Roebuck, een der eigenaardigste menschen dier eeuw, telde. De naam dier vereeniging, het Gezelschap der Utilitariers, is later de naam eener filosofische sekte geworden. Nauwelijks 17 jaar oud, kreeg Stuart Mill eene aanstelling bij het India House, waar hij bij het opstellen van depêches werd gebruikt. Dat hij hiertoe geschikt was, ziet men uit de talrijke bijdragen, die hij reeds een jaar later in de door Benthams’ aanhangers gegronde Westminster Review schreef. Met oprechten ijver en kinderlijk vertrouwen begon hij aan de taak te arbeiden, die hij zich had voorgesteld, en geloofde ernstig, dat hij en zijn vader op weg waren om de wereld te hervormen. De terugslag na zulk een vlucht bleef niet uit en was des te heftiger, daar de jongeling een broeikas-ontwikkeling bezat, waarvoor elk een vroeg of laat moet boeten.
Het was in den jare 1826, dat de jonge wereld-verbeteraar in een periode van bittere ontstemming verviel. Het leven verloor alle bekoring voor hem en terwijl hij tot nog toe in zijne zending op het veld der hervorming het geluk helder en klaar voor zich had gezien, begon langzamerhand de overtuiging door te schemeren, dat zijn koenste droomen vervuld konden worden, zonder dat hij daarom zelf gelukkiger werd. Hij was aan het keerpunt zijns levens gekomen. Op nieuw verdiepte hij zich in de leer zijns vaders en van Bentham en nu eerst zag hij de zwakheden er van in. Zonder vertrouweling, alleen met zich zelven, droeg hij zijn verslagenheid om, tot allengs zijn geest het evenwicht vond en kracht tot verder werken en streven. Onverdroten arbeid en de omgang met begaafde, uitstekende vrienden, brachten heul en troost aan en wat den jeugdigen, wakkeren man nog ontbrak, wat hij bij zijn eigenaardige opvoeding niet gekend had, viel hem in rijke mate in zijne gade ten deel, die in staat was zijn gansche wezen als mensch en man van wetenschap aan te vullen. Treffend is de hulde van liefde en waardeering, die Stuart Mill haar in zijn biografie toebrengt. De periode waarin hij haar in al hare waarde tracht te schetsen, is de welsprekendste en bezieldste, die hij ooit heeft geschreven, en al vindt de lezer het moeielijk, ja onmogelijk, zich zulk een kwistig bedeelde vrouw voor te stellen, hij zal toch begrijpen, dat zij in elk opzicht een uitstekende vrouw moet geweest zijn, daar zij zulk een man aldus wist te boeien.
Wat Stuart Mill over zijn latere levensjaren mededeeldt is voor den gewonen lezer minder belangrijk. Gebeurtenissen van belang noemt hij niet; de wordings-geschiedenis der onderscheiden schriften, die hem een naam hebben gemaakt, zullen bij de mannen van het vak wel de meeste waardeering vinden. In de bespreking zijner politieke werkzaamheid, die tusschen de jaren 1865 en 1868 valt, toen hij, zoo als bekend is, Westminster in het parlement vertegenwoordigde, vinden wij veel dat bekend is. Stuart Mill was in velerlei opzicht een groote aanwinst voor het parlement, maar in menig opzicht trad zijn eigenaardige ontwikkeling en zuiver filosofische zin, verbonden met het liberale fanatisme, dat hij van zijn vader had overgeërfd, ietwat scherp te voorschijn. Waar hij in de rij der strijders trad, verloor hij van den helderen, doordringenden blik, die hem anders zoo juist over de hoofden der tijdgenooten liet zien. Hij werd partijman; men verloor den grooten wijsgeer uit het oog en zag in hem slechts den hardnekkigen politieken stokpaard-ruiter. Voor dit gedeelte van zijn loopbaan vindt men in de auto-biografie de tot hiertoe ontbrekende verklaring. Wij leeren den man kennen zoo als hij was, en zoo als hij geworden is, en hoewel de bekentenis van zijn ongeloof bij velen zijner landgenooten een pijnlijken indruk maakte, zullen zelfs de denkende hoofden zijner tegenpartij den schrijver dezer auto-biografie beter en zachter leeren beoordeelen.
— Het getal leden der Delftsche koöperatieve winkelvereeniging bedraagt 130 en er is genoeg geld in kas, om een winkelzaak te beginnen. Er is besloten, een huis daarvoor te huren en met 1 Jan. a. s. den winkel te openen met eenige der eerste en dagelijksche levensbehoeften.
*— Aangaande de schipbreuk van de Zeevaart, kapt. S. van der Heijde, beurtschipper van Franeker op Amsterdam, deelt men ons mede, dat het schip thans met assistentie uit Workum en Hindeloopen te Workum is aangebracht, waar het hersteld zal worden.
*— Uit Meppel meldt men ons van 30 Nov.: Aan de spoorzijde, alsmede tusschen Meppel, Zwartsluis enz., staat alles blank. In den gepasseerden nacht woedde ook hier een orkaan. Volgens tijdingen uit de Friesche streken staan vele landen aldaar geheel onder water.
Lekkerkerk, 29 Nov. Onze gemeenteraad heeft besloten tot het bouwen van een tweede openbare school, daar de bestaande school geen voldoende ruimte meer aanbood. De nieuwe school zal ingericht worden voor 400 kinderen en het meublement daarvoor zal gemaakt worden naar de eischen van den tegenwoordigen tijd.
Rotterdam, 30 Nov. Eergister heeft de heer D. Dirksen JHz. zijn 25jarig brandmeesterschap herdacht en ontving hij bij die gelegenheid een zilveren geschenk van de brandmeestdrs, terwijl de hoofdlieden en brandspuitmeesters van hunne belangstelling deden blijken.
Kerk- en Schoolnieuws.
*— De gemeenteraad van Wijk bij Heusden heeft besloten het traktement van den te benoemen hoofdonderwijzer aan de openbare school van ƒ 600 op ƒ 800 te brengen.
*— De heer A. A. Schouten, kand. bij het prov. kerkbestuur van Utrecht, is tot pred. beroepen bij de herv. gemeente te Herwijnen.
*— Aangenomen het beroep naar Alkmaar, door den heer E. B. Gunning, pred. bij de herv. gemeente te Nunspeet.
*— Bij de herv. gemeente te Vlaardingen is tot pred. beroepen, de heer J. J. Gobius du Sart, pred. te Nijkerk.
*— Door kerkvoogden der herv. gemeente te Nijmegen wordt met 1 Jan. 1874 het traktement der pred. met ƒ 100 verhoogd, zoodat het alsdan zal bedragen ƒ 1950.
Stadsnieuws.
*— Men deelt ons mede, dat de aangevangen vulling met water van den nieuwen gashouder alhier naar wensch gaat en men dus alle hoop mag koesteren, dat dit werk niet slechts met veel vlugheid, maar tevens met veel zorg en soliditeit is tot stand gebracht.
*— De voorgenomen inspektie van de dd. schutterij (inf. en art.), die op gister bepaald was, is weder door het ongunstige weder uitgesteld moeten worden. Waarschijnlijk zal zij nu a. s. Zondag over 8 dagen plaats hebben, De komm. wil, dat dit op Zondag zal zijn, omdat de meeste manschappen tot den werkenden stand behoorende, er geen arbeids-verzuim door zouden hebben.
*— Gister had in het Biltsche fort de voor acht dagen uitgestelde schietwedstrijd plaats van de Utrechtsche vereeniging ter bevordering van ’s lands weerbaarheid. De regeling van dezen wedstrijd was opgedragen aan de heeren G. A. Hopmans, kommandant; mr. J. G. A. Bosch, sekretaris der vereen., en J. des Amorie van der Hoeven, bestuurslid, die zich beijverd hadden een aantal van 24 prijzen bijeen te brengen. Het weder was nog slechter dan acht dagen te voren; regen en wind deden hun invloed den ganschen dag gevoelen en waren zeker oorzaak, dat noch de baan voor de leden, noch de vrije baan, goed bezocht waren. Voor deze laatste was het zeer te bejammeren, want men had gemeend, dat vele leden van de zustervereenigingen hier ter stede en van de omstreken aan dien wedstrijd zouden deelnemen, hetgeen om het ongunstige weder nu niet plaats had. Evenals voorleden jaar werden de prijzen door elken overwinnaar zelve naar rangorde gekozen.
Intusschen zijn beide wedstrijden geregeld afgeloopen, en werd er, in weerwil van den vourtdurenden hevigen wind, redelijk goed geschoten. De 1e prijs voor scherpschutters werd behaald door het lid F. W. Klokke, geschenk van den president der vereeniging, den heer J. W. Schubart; de 2e prijs door S. Göbel Jr., een boomgeweer van N. N.; de 3e prijs door P. Goené, geschenk van den sekretaris der vereeniging; de 4e prijs door W. J. van Zeventer, geschenk van de firma L. E. Bosch en Zoon; de 5e prijs door R. P. Göbel, geschenk van den heer J. des Amorie v. d. Hoeven; de 6e prijs door M. J. Hoenkamp, geschenk van den hr K. J. van Dort; de 7. prijs door C. J. van Elzen, geschenk van de vereeniging de Eendragt; de 8. prijs door H. K. Oudt, geschenk van dr. Templeman v. d. Hoeven; de 9. prijs door A. J. van Hoorn, geschenk van mr. S. H. Vernède; de 10. prijs door K. J. van Dort, geschenk van den heer L. F. H. Andrau; de 11. prijs door M. C. Molenbeek, geschenk van den heer J. Eijkel; de 12. prijs door J. E. van Appel, geschenk van den heer J. Eijkel; en de 13. prijs door den heer G. A. Hopmans, geschenk van den laatsten gever.
De 1. prijs voor de schutters 1. en 2. klasse werd behaald door het lid J. H. A. Mijsberg, geschenk van de vereeniging de Zwijger; de 2. prijs door J. Monné, geschenk van den heer J. Oudt; de 3. prijs door A. H. Peij, geschenk van den heer K. J. van Dort; de 4. prijs door H. W. Hagen, geschenk van den heer J. Eijkel; de 5. prijs door H. L. Hermans, geschenk van den heer L. F. H. Andrau; en de 6. prijs door R. J. Koker, geschenk van den sekretaris der Vereen.
Voor de 3. klasse werden de prijzen behaald als volgt: 1. prijs door C. J. Septer, geschenk van den heer R. J. Koker; de 2. prijs door G. Perbal, geschenk van den heer van den Berkhof; de 3. prijs door W. J. Westdijk, geschenk vad den heer G. A. Hopmans; de 4. prijs door A. de Vreede, geschenk van den heer J. Eijkel; de 5. prijs door C. J. Odijk, geschenk van den laatsten gever.
Voor de vrije baan werden de 1. en 2. prijzen behaald door den heer K. J. van Dort; de 3. door den heer F. W. Klokke; de 4. door den sergeant der mineurs P. J. Raukamp; en de 5. door den heer A. J. Abspoel.
Het is niet te ontkennen, dat evenals voorleden jaar, de wedstrijd bij deze vereeniging wel wat laat in het jaar gehouden is. Alhoewel het zijn nuttige zijde heeft, dat de leden gewend worden in weer en wind te schieten, heeft het toch zijn aangename zijde, dat een wedstrijd, wil men hem tot aller genoegen doen plaats hebben, wat vroeger in het jaar worde uitgeschreven, wanneer gunstiger weder een ieder naar buiten lokt en dus het aantal schutters, evenals dat van de belangstellenden uit den aard der zaak grooter zijn zal.
*— Vrijdagavond was den mannelijken patienten in het geneeskundig gesticht voor krankzinnigen en zenuwlijders alhier een klein feest bereid, dat bijna éénig mag genoemd worden, althans in een gesticht van dezen aard.
Een twaaftal patienten zou proeven geven van de gemaakte vorderingen in de gymnastiek, na ruim een jaar daarin onderwijs genoten te hebben van den heer Baatsen, gymnastiek-onderwijzer alhier.
De direktie maakte van dezen avond een feest voor de patienten. — Met genoegen zagen de toeschouwers de gymnasten, die in helderwitte pantalons en sierlijke overhemden met Oranjesjerp gekleed waren en op lichte linnen schoenen zich vlug en vroolijk door de net versierde zaal bewogen.
Al de proeven, die door hen werden ten beste gegeven, voldeden zeer goed en getuigden zoo wel van den ijver der leerlingen, als van den takt des onderwijzers, die vooral aan deze plaats eene bijzondere mate van geduld en geschiktheid dient te bezitten.
In de pauze werden eenige ververschingen aangeboden, terwijl een lieflijke kamermuziek afgewisseld werd door het zingen van eenige liederen door de gymnasten, waarin de hooge waarde der gymnastiek werd bezongen.
Na den afloop sprak de geneesheer-direkteur Prof. v. d. Lith een hartelijk woord van dank en aanmoediging tot onderwijzer en leerlingen en drukte de hoop uit, in ’t vervolg meer zulke genotrijke avonden te mogen smaken.
Dank moet worden toegebracht aan allen, die door verschillende middelen en langs allerlei wegen liet lot van ongelukkigen verzachten willen en zooveel beproeven, om hen aan hunne familiën en de maatschappij weder te geven.
*— De adjunkt inspekteur voor het geneeskundig staatstoezicht in Gelderland en Utrecht verzoekt ons te willen mededeelen, welke eerste maatregelen van voorzorg te nemen zijn, indien zich onverhoopt een geval van Aziatische cholera hier ter stede mocht voordoen. Wij voldoen gaarne aan dat verzoek, omdat bij nacht en ontijden een geneeskundige niet altijd terstond om hulp en raad kan gevraagd worden en juist in die eerste oogenblikken in het ontstelde gezin, dat door de ziekte bezocht wordt, veel gebeuren kan of kan worden nagelaten, wat onberekenbare gevolgen zou kunnen hebben.
Wanneer iemand door hevige braking en diarrhee wordt overvallen, is het voorzichtig, die uitwerpselen zorgvuldig op te vangen en, bedeeld met eene zekere hoeveelheid van het straks te vermelden desinfekteerend mengsel, te bewaren, totdat de geneesheer gekomen is en nadere voorschrift gegeven heeft. In geen geval werpe men die uitwerpselen in de grachten, noch in de privaten of riolen; zij zouden daar, ook al ware zij met het desinfektiemiddel bedeeld, voor anderen schadelijk kunnen worden.
In de kamer, waarin de zieke verpleegd wordt zorge men voor de grootst mogelijke reinheid en, zonder den lijder aan koude of tocht bloot te stellen, ook voor goede luchtverversching. Lijf- of beddegoed, door zijn uitwerpselen verontreinigd, worde niet bij ander waschgoed geworpen, maar tot aan de komst van den geneesheer in een gesloten of althans overdekten emmer (of iets dergelijks) ter zijde gelegd.
Het desinfek-teermiddel bestaat uit 1 kilogram ijzervitriool en ¼ liter ruw carbolzuur vermengd met 15 liters (of één emmer) water. Daarvan wordt de hoeveelheid van ongeveer een bierglas in de kamerpot of eenig ander vaatwerk geworpen, telkenmale voordat de zieke zich daarvan bedient; dadelijk na het gebruik wordt het vaatwerk buiten de ziekenkamer gebracht, in een emmer (eene tobbe of iets dergelijks) geledigd, met eene kleine hoeveelheid van het desinfekteerend mensel uitgespoeld — waarbij het spoelvocht mede in den emmer geworpen wordt — en terstond weder met een bierglas vol van het desinfektiemiddel bedeeld.
Het desinfektiemiddel is voorhanden bij elken apotheker of droogist. Voor behoeftigen, en in geval van nood ook voor anderen, is het kosteloos verkrijgbaa[r] bij de volgende heeren, wijk-kommissarissen der cholera-kommissie:
| Wijk | A. | De hh. mr. E. C. U. de Balbian van Doorn, Lange Nieuwstraat, 573; D. de Rooy, Hamburgerbrug, 13. |
| » | B. | Jhr. W. K. L. van Hogendorp, Maliesingel, wijk I. 330g. J. C. van Eelde, Jansbrug, wijk C. 134. |
| » | C. | S. G. Heringa, Catharijne Kade, 757. Mr. A. W. H. Heringa, id. |
| » | D. | J. de Groot Cz., Bakkerbrug, 64. A. Pos, Jakobiebrug, wijk C, 50. |
| » | E. | H. J. de Beer, Choorstraat, wijk D, 3. T. J. van Everdingen, Mariaplaats, 447. |
| » | F. | W. F. Dannenfelser, Pausdam, 247. Mr. F. A. van Hall, Pieterstraat, wijk G, 366/7. |
| » | G. | F. W. Klokke, achter het Vleeschhuis, H, 574. Js Gravendaal, Jakobiebrug, C 54. |
| » | H. | W. A. van Rijn, Schoutesteeg, G. 138. T. Hart de Ruiter, Neude, G. 71. |
| » | I. | Mr. S. H. Vernède, Oosterstraat, 328c. H. van der Hoek, Biltstraat, 182b. |
| » | K. | Jhr. F. W. J. van Breugel, Nieuwegracht, A. 876. |
| » | L. | L. Bouman, Ganzenmarkt, G. 1. |
| » | M. | R. Sasse, Weerdsingel, 402cc. |
Het desinfektiemiddel is mede voorhanden aan het bureau der cholera-kommissie, naast het stadhuis, van welk bureau de sleutel berust aan het kommissariaat van politie.
Van stadswege is met de desinfektie belast de heer Fock (wonende in de Nobelstraat, bij den steenhouwer Lamie), dezelfde, die in 1866 zich met zooveel ijver en zoo onversrchokken van die taak gekweten heeft:
Aan het stadstimmerhuis (achter Klarenburg) zijn tonnen met deksel of zoogenaamde fosses mobiles voorhanden, die in de woning, waarin een cholera-zieke verpleegd wordt, van Stadswege geplaatst en verder naar gelang van behoefte twee of meermalen daags weggehaald en door andere tonnen vervangen zullen worden.
*— Naar men verneemt, zullen dezen winter weder eenige volksvoordrachten in de zaal van de Nijverheid in de Donkerstaat plaats hebben door eenige achtenswaardige ingezetenen dezer stad.
*— Gisteravond gaf de Zangvereeniging Harmonie, onder direktie van den heer Enderlé, in de lokalen van den heer Smit in de Maliebaan, voor een zeer talrijk opgekomen publiek eene soiree; de uitvoering voldeed zoo goed, dat ieder nommer luide toegejuicht werd. Deze ver., die eene onderafd. vormt van de ver. voor Fabrieks- en Handwerksnijverheid, houdt gedurende menigen avond van den winter de leden, die voor een groot deel tot den arbeidenden stand behooren, aangenaam bezig.
*— De korporaal der mariniers, die in het door een detachement marine, onder bevel van den luit. t. z. 1. kl. van Broekhuizen, bezette klein Edi op verraderlijke wijze door een Atsjinees gedood werd, was Hendrikus Alexander Lodewijk Kalsen. Hij was een oppassend soldaat en had slechts den ouderdom van 29 jaren bereikt.
*— De terugkomst alhier van het detachement van het battaljon mineurs en sappeurs uit Weenen, die op het begin van deze maand was vastgesteld, is thans op het laatst van December bepaald.
*— Naar men verneemt, hebben de onderwijzers der r. kathol. bijzondere scholen alhier ook hunne medewerking beloofd voor het kindergeschenk, dat men van plan is bij gelegenheid van het 25jarig jubilee in Mei 1874 Z. M. den Koning aan te bieden.
Deze belofte is reeds in zooverre vervuld, dat de leerlingen reeds hebben bijgedragen en wel zóó, dat die bijdragen klaarblijkelijk van de kinderen afkomstig zijn.
*— Gistermiddag heeft een beschonken artillerist aan een huis op de Lange Nieuwstraat, waar de dienstmeiden hem uitlachtten, eerst de bel uitgerukt en vervolgens met zijn sabel vier groote ruiten ingeslagen; hij is door de patroelje later met groote moeite gearresteerd.
*— Aanst. Donderdag zal voor de arr. rechtb. alhier de zaak behandeld worden van M. en v. G., slachters te Leiden, beschuldigd van diefstal van koeien op de laatste Montfoortsche beestenmarkt. Als verdediger zal optreden mr. S. M. A. du Mosch.
*— In den nacht van Zaterdag op Zondag heeft alhier een storm gewoed uit liet westen, met enkele stooten van 55 kilogr. drukking op den vierk. meter, die niet weinig schade, vooral op het platte land, heeft teweeg gebracht; het water in verschillende polders werd zoo door den wind opgezweept, dat men vreesde dat het over de kaden zou geworpen worden.
*— Men verzoekt ons de opmerking te plaatsen, dat in het stuk van den heer t. B., over de Kozakkendag een stootende vergissing is geslopen. Men leze voor Molitor, die in 1835 naast Louis Philippe door eene kogel getroffen is: Maarschalk Mortier, Hertog van Treviso. Molitor was een ferm, gezet man, Mortier schraal en ontzettend lang.
Verscheidenheid.
— Door het hoofdbestuur der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen zijn de sekretarissen der departementen uitgenoodigd, in hun kring de reglementen op te zamelen van instellingen die ten doel hebben: a. Tegemoetkoming in loonderving ten gevolge van ziekte, hetzij afzonderlijk, hetzij verbonden met b. genees-en heelkundige hulp.
Dit onderzoek moet dienen om den schrijver eener handleiding, waarin de grondslagen worden ontvouwd voor de onderlinge vereenigingen tot voorkoming der gevolgen van loonderving, ingeval van onwillekeurige werkstaking door ziekte onder de arbeidende klasse, in staat te stellen zijn werk zoo volledig mogelijk te maken.
— Bij de firma Williams & Co. is het eerste deel verschenen van eene Engelsche vertaling van den bijbel voor jongelieden, door dr. Oort en dr. Hooykaas. (Nbl. v. d. B.)
— In de Parijsche geleerde wereld heeft zich volgens Haarlems Weekblad — een merkwaardig incident voorgedaan. De heer de Beauchesne heeft zich kandidaat gesteld voor een der openstaande zetels in de Fransche Akademie en daarbij aangeboden het indertijd door hem geschreven werk Louis XVII, sa vie, son agonie, sa mort, dat bepaald geschreven is ter bestrijding der aanspraken van den hier te lande overleden, zich noemenden Hertog van Normandië.
Onmiddellijk nadat dit bekend werd, heeft de heer graaf Gruau de la Barre, de onvermoeide 77 jarige kampioen voor de beweerde rechten van de familie Bourbon in Nederland, die sedert Februari jl. te Parijs is gevestigd, de door hem tot verdediging van deze geschreven boekwerken bij de Akademie ingediend en zich konkurrent kandidaat van den heer de Beauchesne gesteld.
Allerlei.
— Men deelt aan de H. N. het volgende als historisch mede:
Izaak de Jong, de voornaamste der ontslagen verdachten in de zaak van den dubbelen moord te ’s Hage, verlaat tegenwoordig reeds des ochtends zeer vroeg zijn woning. Dezer dagen was hij des morgens ten 6½ ure op de wandeling en zag een paar klapwakers op hun post na ’t volbrengen van hun loop op een trottoir uitrusten. »Zoo luie rekels,” voegde de Jong hen toe, »zit jullie daar zoo op je gemak? Doet liever je plicht; had gemaakt dat je in December aan de Bogt en van de week in de Pooten waart geweest, dan had mevr. van der Kouwen niet vermoord en bij den horlogemaker van Aaken was niet ingebroken geworden.”
— In de Delftsche Schie onder Overschie is een melkschuit gezonken. Een der twee opvarenden is verdronken; hij laat eene vrouw met veel kinderen na.
*— Te Witmarsum heeft zich gister iemand door ophanging van ’t leven beroofd, wiens nalatenschap op 5 à 6 duizend gulden wordt begroot.
— Te Westervoort zijn verledenweek een huis en schuur terwijl de bewoners afwezig waren, verbrand met het grootste deel van den inboedel en eenige kalveren. De paarden, koeien en bouwwerktuigen zijn gered. Huis en inboedel waren verzekerd.
Waterhoogte.
Utrecht, 1 Dec. De peilschaal aan de Weerdsluis alhier, was heden morgen aan de benedenzijde (Vechtkant) 0,08 onder A. P. 0,12 gewassen en aan de bovenzijde Rijnkant, 0,03 boven R. P., 0,01 gewassen.
Mannheim, 29 Nov. 6 vt. 8 dm. Gev. 4 dm.
Coblenz, 30 Nov. 7 vt. 0 dm. Gew. 3 dm.
Keulen 30 Nov. 2,2 El.
Vreeswijk, 30 Nov. 2,31 El. + A. P. 4,21 El. onder N. P. Gew. 52 dm.
Vreeswijk 1 Dec. 2,19 El. + A. P. 4,33 El. onder N. P. Gev. 12 dm.
Proces Bazaine.
{{gap|6emMijnheer de Redakteur!
Naarmate het proces zijn einde nadert, schijnt ook de algemeene belangstelling grooter te worden en het getuigen-verhoor meer in verband te komen met het hoofd-kwartier, waarover de beschuldiging handelt.
Dit was in de zitting van heden het geval en meer dan één treffend oogenblik deed er zich in voor.
De 9. sektie, handelende over de kaputilatie en de overgave der vaandels en standaarden, dus de laatste periode van het getuigen-verhoor, ving aan met dat van den lt.-kolonel Vilette, den trouwen adjudant van maarschalk Bazaine, die hem in zijne gevangenschap en verschijning voor den krijgsraad dezelfde verknochtheid betoonde als hij reeds vroeger op de slagvelden van Mexiko en om Metz gedaan had.
De president vraagde hem eenige ophelderingen in hoofdzaak over twee stukken, door hem geschreven, maar door veranderingen en doorhalingen onduidelijk geworden, en ook waarom er zich frasen in bevinden, blijkbaar met andere inkt geschreven dan het overige gedeelte van het stuk. De aangemerkte frasen doelen op de gegeven bevelen om de vaandels en standaarden naar het tuighuis te brengen en die daar te verbranden.
Getuige erkende die doorhalingen, als door hem in het stuk gedaan, maar wist zich niet te herinneren, wat hij vroeger geschreven en gekorrigeerd had. Wat het verschil van inkt betreft, dit schrijft hij toe aan eene verwisseling van plaats en dus ook van inktkoker, en eindigt met te zeggen: Ik ben eerlijk man en het zou mij niet de minste moeite gekost hebben, het stuk, dat slechts een klad is, achter te houden of te vernietigen.
Generaal Jarras gaf eene verklaring over de kaputilatie, die hij, als daartoe door den opperbevelh. afgevaardigd, met den generaal von Stiehle gesloten heeft. Getuige zeide dat hij zich als afgevaardigde van den krijgsraad, den 26. Oktober gehouden, naar het Pruisische hoofd-kwartier begaf en daar ook als zoodanig met generaal von Stiehle onderhandelde; dat deze eerst niet het minst wilde toegeven meer dan in de kaputilatie van Sedan opgenomen was, daar de koning van Pruisen verontwaardigd was, dat eenige Fransche officieren niet getrouw aan hun afgelegde beloften geweest waren; dat later echter daarop terug gekomen werd en den officieren het behoud van hun wapens en goederen gewaarborgd werd, en dit werdt toegestaan volgens een telegram uit Versailles en op grond van den eerbied, die de koning voor de betoonde dapperheid van het Rijnleger gevoelde. Het lag noch aan hem, noch aan zijn medetonderhandelaar, generaal de Cissy, dat het der krijgseer aan het leger toestaan niet in zijn geheel in de voorwaarden opgenomen werd, daar de maarschalk het défilé en het daarna nederleggen der wapens volstrekt geweigerd had[.] Wat de vaandels en adelaars betreft, de Duitsche onderhandelaars weigerd geloof te slaan aan het voorgeven, dat die reeds verbrand waren, en stelde de overgave er van als eene conditio sine qua non voor alle verdere onderhandeling. Dit, zeide getuige, maakte mijne positie nog moeielijker, daar ik wist dat het bevel tot het verbranden der vaandels door den maarschalk uitgevaardigd was geworden.
Verder, zeide getuige, waren alle pogingen van generaal de Cissey en mij, om gunstiger voorwaarden te bekomen, vruchteloos en ons voorstel om eene afdeeling van ieder wapen, het Rijnleger vertegenwoordigende, naar Algerie te mogen zenden, werd onvoorwaardelijk geweigerd.
In zijne verklaring, die ruim 2½ uur duurde, doorliep generaal Jarras alle bijzonderheden omtrent het sluiten der kapitulatie, daarbij nog opgevende dat generaal von Stiehle het als eene beleediging beschouwde, omtrent het lot der gewonden en zieken eenige voorwaarde te willen maken, daar die genoegzaam door de overeenkomst van Genève, het Roode Kruis, gewaarborgd waren, en uit eigen beweging, werd van Duitsche zijde bepaald, dat generaal Chaugarnier niet als krijgsgevangen beschouwd zonde worden.
Getuige eindigt zijne verklaring diep geroerd, en met bijna onhoorbare stem.
De kolonel Tary en overste Samuel, die den generaal Jarras in zijne onderhandelingen met den generaal von Stiehle ter zijde stonden, leggen gelijkluidende verklaringen af.
Maarschalk Canrobert wordt nogmaals gehoord, en zegt, dat hij met alle legerkorpskomm. den 26. Okt. ontboden werd, om het verslag der zending van generaals Changarnier en de Cissey te hooren; hij begreep, dat er geen sprake meer kon zijn van eene militaire overeenkomst; ook anderzijds bestond er geen kans meer om zelfs het leven duur te verkoopen: onderwerping aan het noodlot bleef alleen over. Hadden wij toen nog maar, zegt getuige diep ontroerd, den goeden inval gehad, om ons die kleingeestige woordentwisterij met den vijand te sparen, en eenvoudig onze wapens te vernielen, hem zeggende: daar zijn wij, nu weerloos, overwonnen niet door u, maar door gebrek, doe nu met ons, wat gij wilt, maar helaas, dat denkbeeld kwam noch bij ons, noch hij den opperbevelhebber op. Getuige zegt verder, dat maarschalk Bazaine bevel gegeven had, de vaandels en standaarden naar het tuighuis te brengen en daar aan generaal Soleille af te leveren, om verbrand te worden, en hij was den 27. Okt. in de stellige overtuiging, dat wat het 6. legerkorps betrof, aan dien last voldaan was geworden, zoodat hij zich weinig bekommerde over het artikel der kapitulatie, dat voorschreef, dat de wapens en vaandels overgeleverd moesten worden; daar hij deze laatste reeds sedert twee dagen als niet meer bestaande beschouwde.
Getuige schetst verder de droevige tooneelen, die bij het afgeven der vaandels en wapenen plaats vonden, alsook de gehechtheid door de