f53v
9095Huwede ∙i∙ wiif als wiit horen.
kolom a
Die riic[1] hiet van moab[2] geboren
Ende wart dor ons heren minne
Van heidine volke iodinne
An hare wan hi na die wet
9100∙I∙ sone hiet obet[3]
Obet die wan oec ysay
Daer die scrifture af tellet mi
Dat hi mede iesse[4] hiet
Dies di wet ne twifelt niet
9105Was des coninx davids vader
Dus quam siin geslachte algader
Vort sal ic u maken vroet
Hoe ihesus dat heilighe bloet
Van desen geslachte quam
9110Dar ic die redene eerst af nam
In dien tiden wat sals mee
Vergaderde tvolc van filistee
Tegen israel testride
Ende saul an dander side
9115Doe quamer ∙i∙ hiet goliat
Van geth[5] geboren uter stat
Dien die scrifture bastaert heet
Want siin moeder als ict weet
Was uten ioden geboren
9120Ende siin vader als wiit horen
Was ∙i∙ heidiin ende ∙i∙ gygant
Ende selve die felle tyrant
Die was lanc vi cubitus[6]
Ende ∙i∙ palme[7] wi lesen dus
9125Den ioden boet hi groten scamp[8]
Ende boot met sinen live camp
Verwon hi dat si eygiin bleven
Ende name hem yeman siin leven
So bleven eygiin die filistien
9130Dit boet hi ∙xl∙ dage over een
Daer hi stont tusschen ∙ii∙ scaren
Davids oudste broer te waren
Was in den striit aldaer gesint
Iesse die nam david siin kint
9135Ende sendet ten broeder dare
Tesiene hoet met hem ware
Alse david te hem quam
Ende hi goliase vernam
Den camp te bieden alse hi eerst dede
9140Docht hem grote wonderlichede
Datter nieman nam den striit
kolom b
Marmen seithem daer ter tiit
Diene verwonne sekerlike
Die coninc souden maken rike
9145Ende hem sine dochter geven
Doe stoet siin broeder beneven
Diene horde daer omme vragen
Ende scalten ende wilden versagen
Dat hi den striit niet en name
9150Want hi vruchte sine misquame[9]
So dat saul verhorde dat
Dat hem davids camps vermat[10]
Ende deden voer hem comen echt
David sprac here ic diin knecht
9155Ic vechte iegen den filisteen
Mar die coninc seide neen
Du best alteionc ∙i∙ kint
David sprac twifelt niet een twint
Ic selve here diin gersoen[11]
9160Ic sloech den bere enten lyoen
Daer si miin vee wilden verbiten
Men sal ons niet dat verwiten
Dese onbesneden filisteen
Ic doe hem als ic dede hem tween
9165{Saul deden an siin harnasch
David die snel was ende rasch
Enten wapine niet en conde
Stortese af aldaer ter stonde
Hi nam sinen harde stoc allene
9170Ende ∙v∙ harde keselstene
Di hi in sine scarpe dede
Ende sine slingre nam hi mede
Ende ginc ten gygante waert
Golias die hadde ontwaert
9175Ende vragede ochti ∙i∙ hont ware
Dat hi den stoc brochte dare
Doe sprac david die degen vri
Du coms met wapine te mi
Ende ic come in die name gods
9180Dien du groten lachter[12] bods
Elcman sal weten uptie arde
Niet in wapine no in swarde
Bescarmt god siin volc allene
Doe warphine met ∙i∙ stene
9185Den rose[13] int hoeft voren
Dat hem doe moste scoren[14]
- ↑ riic: kopiëerfout, zou Ruth moeten zijn. Ruths geschiedenis wordt beschreven in het gelijknamige bijbelboek Ruth. Als Moabitische huwde Ruth met een van de zonen van Naomi. Na het overlijden van haar man vergezelde zij Naomi, die terugreisde naar haar geboorteplaats Bethlehem. Hier huwde zij met Boaz, een verre bloedverwant van Naomi en daardoor iemand die in aanmerking kwam om een leviraatshuwelijk te sluiten. Hun zoon Obed werd de vader van Isaï, waaruit David, de koning van Israël voortkwam.
Ruth wordt in het Nieuwe Testament door Matteüs en Lucas genoemd in het voorgeslacht van Jezus Christus. - ↑ moab: Moab (Vulg./Hist.Schol. Moab), zoon van Lot bij diens oudste dochter, stamvader van de Moabieten. Bijbel: Gn 19:37, Hist.Schol. Lib.Gen. Cap.LIV.
- ↑ obet: Obed (Vulg. Obed), zoon van Boaz en Ruth. Bijbel: Rt 4:17
- ↑ iesse: Jesse (Vulg. Iesse Hist.Schol. Isai), in het evangelie van Lucas de naam van de vader van David. In het OT heet hij Isaï. Bijbel: Lc 3:32 vgl. Rt 4:22, Hist.Schol. Lib.I. Reg. Cap.XVI
- ↑ geth: Gat (Vulg./Hist.Schol. Geth), plaats in Kanaän. Goliat was uit deze plaats afkomstig. Bijbel: 1 S 17:4, Hist.Schol. Lib.I Reg. Cap.XXV
- ↑ cubitus: El, lengtemaat van ca. 70 cm.
- ↑ palme: Breedte/lengte van een handpalm.
- ↑ scamp: Beschimping, spot, smaad, (het) uitjouwen.
- ↑ misquame: ongeval ongemak last smet
- ↑ vermat: van vermeten: zich verstouten te doen, wagen.
- ↑ gersoen: Knaap, schildknaap, edelknaap, page
- ↑ lachter: schande ellende smaad schandelijke daad
- ↑ rose: (rese) Reus, gigant, bijzonder groot persoon.
- ↑ dat hem doe moste scoren: wat er moest scheuren ontbreekt hier, vgl. met: ‘Dat hem dat been moeste scoren’ Rijmb. p. 222, r. 16-18, West-Vlaanderen, 1285’