Naar inhoud springen

Pagina:Van Maerlant, Rijmbijbel (Hs 10B21, 1332).pdf/130

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

f57v

Abner vlo ende sine scare kolom a
Ioab hadde ∙ii∙ broeder dare
Asael[1] ende abysay[2]
9810Dese ∙ii∙ ghelovets mi
Waren davids suster kinder sarien[3]
Ende asael dies horic lien
Die was snel gelic den ree
Ende was up abner embermee
9815So dat abner sprac nu ga
Bet af dat ic di niet en sla
Ende ic ioab niet verwerke[4]
Asael die volgede sterke
Ende vacht up abner met crachte
9820Doe stac hine dor metten scachte
Die broeder volgede hem al in een
Also lange als die sonne sceen
Ende abner entiesine quamen
Up ∙i∙ berch altesamen
9825Dus es verscheden elc van andren
Ende elc ginc thuus wert wandren
Tusschen desen ∙ii∙ was lange striit
Mar davis wies talre tiit
Ende isbosets rike nam af
9830Want het was gods belof
David wan kinder in ebrom
Siin oudste sone hiet amon
Die ander hiet celafus
Die derde absalon wi lesen dus
9835Dattie scoenste was van live
Die ye quam van ardschen wive
Maad[5] was siin moeder genant
Ende was geboren uter heidine lant
Coninc tholomais[6] was haer vader
9840Dlant van iessur[7] was siin algader
Die vierde hiet adonias[8]
Entie viifte safachias[9]
Die seste hiet ietram[10]
Inder selver tiit so quam
9845Abner entie was besmet
In viantscapen iegen ysboset
Want hi bi sauls amie[11] lach
Ende wert sceldende als ict sach
Ghescreven in waren boeken
9850Doe dede abner vrientscap soeken
An david ende sprac ghelovers mi wel
Aldat lant van israel
Ghemaket dathet di dient kolom b
Eist dattu wesen wilt miin vrient
9855Doe sprac david doe weder comen
Michol die mi es genomen
Entie mi die coninc saul gaf
Ende alle die nide vallen af
Doe sende hi hem weder die vrouwe
9860Ende abner quam als die getrouwe
In ebrom daer hi was ontfaen
Wel van davite sonder waen
Ende beloefde dat hi wel
Alle die gene van israel
9865Onder hem soude bringen saen
Doe abner was wech gegaen
Quam ioab ende sine scare mede
Ende hadde met sire vromichede[12]
Vele rovers doot geslegen
9870Ende brochte den roef gedregen
Doe hi mare vernam van desen
Dat abner daer hadde gewesen
Ende hem die coninc groot ere dede
Sende hi ∙i∙ bode oec mede
9875Abnerre daer in diere gebare
Als oft van davite ware
Entoe hine hadde daer hi geboot
Sloechmenne mordelike doot
Ende wrac sinen broeder asael
9880Mar david verdroecht niet wel
Ende togede dat hi ontschuldich ware
Van sulker mort al openbare
Hi sprac mire zuster kinder sarien
Siin mi te hart moetic lien
Teerst dat osboset verhorde
Abners doot ten eersten worde
Wart hi droeve ende also wel
Methem die van israel
Doe waren ∙ii∙ man isn siin rike
9890Die prencen waren gemeenlike
Over die rovers verre ende na
Rachab[13] ende banaa[14]
Die hadden iegen hem geset
Ende wilden met ysboset
9895Coninc maken ionathas sone
Want hi comen was de gone
Van coninc sauls oudste kinde
Die ii die isboset niet minde

  1. Asaël (Vulg./Hist.Schol. Asael), broer van Joab en neef van David. Bijbel: 2 S 2:18, Hist.Schol. Lib.II Reg. Cap. III
  2. Abisai (Vulg./Hist.Schol. Abisai), broer van Joab en zoon van Davids halfzuster Seruja. Bijbel: 1 S 26:7, Hist.Schol. Lib.I Reg. Cap.XXV
  3. sarien: Seruja (Hist.Schol./Vulg. Sarvia), halfzuster van David. Bijbel: 2 S 2:13, Hist.Schol. Lib.I Reg. Cap.XXV
  4. verwerken: Tegen zich innemen zich onmogelijk maken ten opzichte van.
  5. maad: Maäka (Vulg./Hist.Schol. Maacha), dochter van Talmai (koning van Gesur) en een van de vrouwen van koning David. Bijbel: 2 S 3:3, Hist.Schol. Lib.II Reg. Cap.IV
  6. tholomais: Talmai (Vulg. Tholomai Hist.Schol. Tholmai), koning van Gesur. Hij was de vader van Maäka (een vrouw van David). Bijbel: 2 S 3:3, Hist.Schol. Lib.II Reg. Cap.IV
  7. iessur: Gesur (Vulg./Hist.Schol. Gessur), klein Aramees koninkrijk aan de noordoostelijke grens van Israël. Bijbel: 2 S 2:3, Hist.Schol. Lib.II Reg. Cap.IV
  8. adonias: Adonia (Vulg./Hist.Schol. Adonias), zoon van David. Bijbel: 2 S 3:4, Hist.Schol. Lib.II Reg. Cap.IV
  9. safachias: Sefatja (Vulg. Safatias Hist.Schol. Saphatia), zoon van David en Abital. Bijbel: 2 S 3:4, Hist.Schol. Lib.II Reg. Cap.IV
  10. ietram: Jitream (Vulg. Iethraam Hist.Schol. Jetthraam), de zesde zoon van David. Bijbel: 2 S 3:5, Hist.Schol. Lib.II Reg. Cap.IV
  11. amie: geliefde, concubine
  12. vromichede: Moed, dapperheid, stoutheid, heldhaftigheid.
  13. rachab: Rekab (Vulg./Hist.Schol. Rechab), moordenaar van koning Isboset van Israël.
    bijbel: 2 S 4:2, Hist.Schol. Lib.II Reg. Cap.VI
  14. banaa: Baäna (Vulg./Hist.Schol. Baana). Hij was broer van Rekab en samen met deze moordenaar van koning Isboset. bijbel: 2 S 4:5-7, Hist.Schol. Lib.II Reg. Cap.VI