van gezamenlijke onderzoeksprogramma's en gezamenlijke ondernemingen ter ontwikkeling van technologieën die verband houden met de doelstellingen van dit Verdrag.
Artikel 19. Beheer van de biotechnologie en verdeling van de voordelen daarvan
1. Elke Verdragsluitende Partij neemt maatregelen van wetgevende en bestuurlijke aard, dan wel beleidsmaatregelen, waar passend, teneinde de effectieve deelneming aan biotechnologisch onderzoek te waarborgen van de Verdragsluitende Partijen, met name ontwikkelingslanden, die genetische rijkdommen voor dat onderzoek leveren, en indien mogelijk op het grondgebied van die Verdragsluitende Partijen.
2. Elke Verdragsluitende Partij neemt alle mogelijke maatregelen ter bevordering en stimulering van de prioritaire toegang, op een eerlijke en billijke basis, van Verdragsluitende Partijen, met name ontwikkelingslanden, tot de resultaten en voordelen van biotechnologieën die zijn gebaseerd op door die Verdragsluitende Partijen geleverde genetische rijkdommen. Deze toegang vindt plaats op onderling overeengekomen voorwaarden.
3. De Partijen bestuderen de noodzaak en de vorm van een protocol, dat passende procedures bevat, waaronder met name vooraf - met kennis van zaken - te geven instemming, op het gebied van de veilige overdracht, het veilige beheer en het veilige gebruik van veranderde levende organismen, voortgekomen uit de biotechnologie, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit.
4. Elke Verdragsluitende Partij verstrekt, hetzij rechtstreeks, hetzij door zulks te verlangen van elke onder haar rechtsmacht vallende natuurlijke persoon of rechtspersoon die de in het derde lid bedoelde organismen levert, alle beschikbare informatie over de gebruiks- en veiligheidsvoorschriften die zij verplicht stelt voor het omgaan met die organismen, alsmede alle beschikbare informatie over de mogelijke nadelige effecten van de desbetreffende organismen voor de Verdragsluitende Partij naar het grondgebied waarvan die organismen worden overgebracht.
Artikel 20. Financiële middelen
1. Elke Verdragsluitende Partij verplicht zich ertoe, voor zover dit in haar vermogen ligt, financiële steun en stimulansen te bieden met betrekking tot nationale activiteiten die zijn gericht op verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag, zulks in overeenstemming met haar nationale plannen, prioriteiten en programma's.
2. De Partijen die ontwikkelde landen zijn stellen nieuwe en aanvullende financiële middelen ter beschikking om Partijen die ontwikkelingslanden zijn in staat te stellen om de overeengekomen volledige bijkomende kosten te dekken die zij moeten maken voor de uitvoeringsmaatregelen ter nakoming van de verplichtingen van dit Verdrag en om baat te hebben bij de bepalingen hiervan, welke kosten zijn overeengekomen tussen een Partij die een ontwikkelingsland is en een in artikel 21 bedoelde institutionele structuur, zulks in overeenstemming met het beleid, de strategie, de prioriteiten van het programma en de toekenningscriteria en de indicatieve lijst van bijkomende kosten als opgesteld door de Conferentie van de Partijen. Andere Partijen, met inbegrip van landen die een overgang naar een markteconomie doormaken, kunnen vrijwillig de verplichtingen van de Partijen die ontwikkelde landen zijn op zich nemen. Voor de toepassing van dit artikel stelt de Conferentie van de Partijen op haar eerste bijeenkomst een lijst op van Partijen die ontwikkelde landen zijn en van andere Partijen die vrijwillig de verplichtingen van Partijen die ontwikkelde landen zijn op zich nemen. De Conferentie van de Partijen beoordeelt deze lijst periodiek en wijzigt deze indien nodig. Vrijwillige bijdragen uit andere landen en bronnen dienen ook te worden gestimuleerd. Bij de nakoming van deze verplichtingen dient rekening te worden gehouden met het feit dat de geldstroom toereikend, voorspelbaar en tijdig dient te zijn, en met het belang van lastenverdeling onder de in de lijst opgenomen bijdragende Partijen.
3. Door de Partijen die ontwikkelde landen zijn en aan de Partijen die ontwikkelingslanden zijn kunnen ook met de toepassing van dit Verdrag verband houdende financiële middelen ter beschikking worden gesteld langs bilaterale, regionale en andere multilaterale kanalen.