Naar inhoud springen

Pagina:Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa (tractatenblad 2004 - 275).pdf/193

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Wanneer de lidstaten de in de eerste alinea bedoelde overeenkomsten toepassen, houden zij rekening met het feit dat de door iedere lidstaat in de Grondwet toegestane voordelen een wezenlijk bestanddeel uitmaken van de Unie en dientengevolge onverbrekelijk verbonden zijn met de oprichting van instellingen waaraan bij de Grondwet bevoegdheden zijn toegedeeld, en met het toekennen van identieke voordelen door alle overige lidstaten.


Artikel III-436

1. De Grondwet vormt geen beletsel voor de volgende regels:

a. geen enkele lidstaat is gehouden inlichtingen te verstrekken waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig zou zijn met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid;

b. iedere lidstaat kan de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal; die maatregelen mogen de mededingingsverhoudingen op de interne markt niet wijzigen voor producten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire doeleinden.

2. Op voorstel van de Commissie kan de Raad met eenparigheid van stemmen bij Europees besluit wijzigingen aanbrengen in de lijst van 15 april 1958 van producten waarop de bepalingen van lid 1, onder b, van toepassing zijn.


DEEL IV
ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN


Artikel IV-437
Intrekking van de vroegere verdragen

1. Bij dit Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden ingetrokken het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, alsmede, onder de voorwaarden die zijn bepaald in het Protocol betreffende de akten en verdragen waarbij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn aangevuld of gewijzigd, de akten en verdragen waarbij deze zijn aangevuld of gewijzigd, onder voorbehoud van lid 2 van dit artikel.

2. De verdragen betreffende de toetreding van:

a. het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

b. de Helleense Republiek;

c. het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek;