Naar inhoud springen

Pagina:Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa (tractatenblad 2004 - 275).pdf/258

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

3. Op het in dit artikel bedoelde gebied handelt de Bank in overleg met de bevoegde instanties van de lidstaten of met hun nationale centrale bank.


Artikel 22

1. Er wordt geleidelijk een reservefonds gevormd ten belope van 10% van het geplaatste kapitaal. Indien de stand van de verplichtingen van de Bank zulks rechtvaardigt, kan de Raad van bewind besluiten tot het vormen van aanvullende reserves. Zolang dit reservefonds nog niet geheel is gevormd, wordt het gevoed door:

a. de renteontvangsten uit hoofde van leningen die de Bank heeft verstrekt uit de door de lidstaten krachtens artikel 5 te storten bedragen;

b. de renteontvangsten uit hoofde van leningen die de Bank heeft verstrekt uit de bedragen die zijn verkregen door de terugbetaling van de onder a bedoelde leningen, voorzover deze renteontvangsten niet noodzakelijk zijn voor het nakomen van de verplichtingen en voor het dekken van de kosten van de Bank.

2. De middelen van het reservefonds worden zodanig belegd dat zij te allen tijde het doel van dit fonds kunnen dienen.


Artikel 23

1. De Bank is steeds gemachtigd haar bezit aan deviezen van een van de lidstaten die niet de euro als munteenheid hebben, over te maken met het oog op de uitvoering van financiële verrichtingen overeenkomstig haar taak als omschreven in artikel III-394 van de Grondwet en met inachtneming van de bepalingen van artikel 21 van dit statuut. De Bank vermijdt dergelijke overmakingen zoveel mogelijk indien zij saldi beschikbaar heeft of beschikbaar kan maken in de valuta die zij nodig heeft.

2. De Bank mag haar bezit aan deviezen van een der lidstaten die niet de euro als munteenheid hebben, niet zonder toestemming van die lidstaat omzetten in deviezen van derde landen.

3. De Bank kan vrij beschikken over het deel van het kapitaal dat is gestort, en eveneens over de op de markten van derde landen geleende deviezen.

4. De lidstaten verbinden zich ertoe, de debiteuren van de Bank de nodige deviezen ter beschikking te stellen, voor de terugbetaling van hoofdsom en rente van de leningen die de Bank verstrekt of gegarandeerd heeft voor op het grondgebied van de lidstaten uit te voeren investeringen.