een borgsom worden gelast, die bestemd is om aan de vermoedelijke inbreukmaker schadevergoeding toe te kennen wanneer door het beschrijvend beslag schade is veroorzaakt.
Artikel 29
De Portugese nationale wetgeving inzake bewijslast, vastgesteld overeenkomstig punt 2 van Protocol nr. 19 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, is niet van toepassing indien de rechtsvordering ter zake van inbreuk wordt ingesteld tegen de houder van een ander werkwijzeoctrooi voor de vervaardiging van hetzelfde product als het product dat het resultaat is van de werkwijze waarop de eiser een octrooi heeft, indien dit andere octrooi vóór 1 januari 1986 is verleend.
In de gevallen waarin de omkering van de bewijslast niet van toepassing is, kan de Portugese Republiek de bewijslast voor de inbreuk blijven leggen bij de octrooihouder. In al deze gevallen past de Portugese Republiek een gerechtelijke procedure van "beschrijvend beslag" toe.
Onder beschrijvend beslag wordt in het kader van de eerste en de tweede alinea bedoelde regeling een procedure verstaan volgens welke eenieder die gerechtigd is een rechtsvordering ter zake van inbreuk in te stellen, bij een op zijn verzoek gedane rechterlijke uitspraak, kan verkrijgen dat een deurwaarder, bijgestaan door deskundigen, op de plaats waar de vermoedelijke inbreukmaker is gevestigd, overgaat tot een gedetailleerde beschrijving van de betwiste werkwijzen, met name door het maken van fotokopieën van technische documenten, al dan niet met zakelijk beslag. In deze rechterlijke uitspraak kan het betalen van een borgsom worden gelast, die bestemd is om aan de vermoedelijke inbreukmaker schadevergoeding toe te kennen wanneer door het beschrijvend beslag schade is veroorzaakt.
AFDELING 3
BEPALINGEN BETREFFENDE HET MECHANISME HOUDENDE AANVULLING VAN DE TEGENPRESTATIES IN HET KADER VAN DOOR DE UNIE MET DERDE LANDEN GESLOTEN VISSERIJOVEREENKOMSTEN
Artikel 30
1. Er wordt een specifieke regeling ingesteld voor het verrichten van activiteiten ter aanvulling van visserijactiviteiten die door vaartuigen onder de vlag van een lidstaat worden verricht in wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een derde land vallen, in het kader van de bij een visserijovereenkomst tussen de Unie en de betrokken derde landen ingestelde tegenprestaties.
2. De activiteiten die verricht kunnen worden als aanvulling op visserijactiviteiten, onder de voorwaarden en binnen de grenzen bedoeld in de leden 3 en 4, hebben betrekking op: