Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;
f. worden met de uitdrukking "nieuwe lidstaten" bedoeld de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.
Artikel 2
De rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het in artikel IV-437, lid 2, onder e, van de Grondwet bedoelde Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, zijn onder de in dat Verdrag gestelde voorwaarden op 1 mei 2004 van kracht geworden.
Artikel 3
1. De bepalingen van het Schengenacquis die in het kader van de Unie zijn geïntegreerd door het Protocol dat is gehecht aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa (hierna het "Schengenprotocol" genoemd), en de daarop voortbouwende of op een andere wijze daaraan gerelateerde handelingen die zijn opgesomd in bijlage I bij de Akte van toetreding van 16 april 2003, en alle andere dergelijke handelingen die zijn vastgesteld vóór 1 mei 2004, zijn vanaf 1 mei 2004 verbindend voor en toepasselijk in de nieuwe lidstaten.
2. De bepalingen van het Schengenacquis die in het kader van de Unie zijn geïntegreerd, en de daarop voortbouwende of op een andere wijze daaraan gerelateerde handelingen die niet worden bedoeld in lid 1, zijn vanaf 1 mei 2004 verbindend voor de nieuwe lidstaten, maar zijn in een nieuwe lidstaat slechts toepasselijk op grond van een daartoe strekkend Europees besluit van de Raad, nadat overeenkomstig de toepasselijke Schengenevaluatieprocedures is geconstateerd dat in die nieuwe lidstaat aan de nodige voorwaarden voor de toepassing van alle betrokken onderdelen van het acquis is voldaan.
De Raad besluit, na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen van de leden die de regeringen vertegenwoordigen van de lidstaten ten aanzien waarvan de bepalingen van dit lid reeds van kracht zijn en van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat ten aanzien waarvan die bepalingen van kracht moeten worden. De leden van de Raad die de regeringen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vertegenwoordigen,