Artikel 23
1. Tussen 1 mei 2004 en eind 2006 verstrekt de Unie aan de nieuwe lidstaten tijdelijke financiële steun (hierna de "overgangsfaciliteit" te noemen voor de ontwikkeling en versterking van hun administratieve capaciteit om het recht van de Unie en van de Europese Gemeenschap voor atoomenergie uit te voeren en te handhaven, en de uitwisseling van beste praktijken tussen overeenkomstige instanties in verschillende landen te bevorderen.
2. Deze steun is gericht op de blijvende noodzaak om de institutionele capaciteit op bepaalde terreinen te versterken door middel van maatregelen die niet door de fondsen met structurele strekking kunnen worden gefinancierd, in het bijzonder op de volgende gebieden:
a. justitie en binnenlandse zaken (versterking van het rechtssysteem, controle aan de buitengrenzen, anticorruptiestrategie, versterking van de wetshandhavingscapaciteiten);
b. financiële controle;
c. bescherming van de financiële belangen van de Unie en de Europese Gemeenschap voor atoomenergie, en fraudebestrijding;
d. interne markt, met inbegrip van douane-unie;
e. milieu;
f. veterinaire diensten, en opbouw van de administratieve capaciteit in verband met de voedselveiligheid;
g. structuren op het stuk van bestuur en controle voor landbouw en plattelandsontwikkeling, met inbegrip van het GBCS (Geïntegreerd beheers- en controlesysteem);
h. nucleaire veiligheid (versterking van de effectiviteit en de competentie van de voor nucleaire veiligheid verantwoordelijke autoriteiten en van de organisaties die hen op technisch vlak bijstaan, alsook van de openbare instanties voor het beheer van radioactief afval);
i. statistiek;
j. versterking van de overheidsdiensten overeenkomstig de behoeften die worden gesignaleerd in het alomvattende Monitoringverslag van de Commissie en die niet onder de fondsen met structurele strekking vallen.
3. Over de steun uit hoofde van de overgangsfaciliteit wordt besloten overeenkomstig de procedure van artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 3906/89 van de Raad betreffende economische hulp ten gunste van bepaalde landen van Midden- en Oost-Europa[1].
4. Het programma wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 53, lid 1, onder a en b, van het financieel reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[2], dan wel de Europese wet ter vervanging daarvan. Voor samenwerkingsverbonden tussen