Naar inhoud springen

Pagina:Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa (tractatenblad 2004 - 275).pdf/366

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen


Enig artikel

De bepalingen betreffende de maatregelen inzake de overschrijding van de buitengrenzen in artikel III-265, lid 2, onder b, van de Grondwet laten de bevoegdheid van de lidstaten om met derde landen over overeenkomsten te onderhandelen of overeenkomsten te sluiten onverlet, mits daarbij het recht van de Unie en andere internationale overeenkomsten terzake worden geëerbiedigd.




22. Protocol betreffende asiel voor onderdanen van lidstaten

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Overwegende dat in artikel I-9, lid 1, van de Grondwet wordt bepaald dat de Unie de rechten, vrijheden en beginselen erkent die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten;

Overwegende dat in artikel I-9, lid 3, van de Grondwet wordt bepaald dat de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie;

Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om de eerbiediging van het recht door de Unie bij de uitlegging en toepassing van artikel I-9, leden 1 en 3, van de Grondwet te verzekeren;

Overwegende dat overeenkomstig artikel I-58 van de Grondwet iedere Europese staat die verzoekt lid te worden van de Unie, de in artikel I-2 van de Grondwet bedoelde waarden dient te eerbiedigen;

In aanmerking nemend dat bij artikel I-59 van de Grondwet een regeling wordt ingesteld voor de schorsing van bepaalde rechten in geval van een ernstige en voortdurende schending van die waarden door een lidstaat;

Eraan herinnerend dat iedere onderdaan van een lidstaat, als burger van de Unie, een bijzondere status en bescherming geniet, die door de lidstaten wordt gegarandeerd overeenkomstig de bepalingen van deel I, titel II, en van deel III, titel II, van de Grondwet;

In aanmerking nemend dat bij de Grondwet een ruimte zonder binnengrenzen tot stand wordt gebracht en aan iedere burger van de Unie het recht op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten wordt verleend;

Geleid door de wens te voorkomen dat het recht op asiel wordt aangewend voor andere doeleinden dan die waarvoor het bedoeld is;

Overwegende dat in dit protocol de uiteindelijke doelstellingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen worden geëerbiedigd,