Naar inhoud springen

Pagina:Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa (tractatenblad 2004 - 275).pdf/367

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:


Enig artikel

Het niveau van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden in de lidstaten van de Europese Unie in aanmerking nemend, beschouwen de lidstaten elkaar als veilige landen van oorsprong voor alle juridische en praktische doeleinden in verband met asielzaken. Dienovereenkomstig kan een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat door een andere lidstaat uitsluitend in aanmerking worden genomen of ontvankelijk worden verklaard in de volgende gevallen:

a. indien de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is maatregelen neemt met gebruikmaking van artikel 15 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarbij op zijn grondgebied wordt afgeweken van zijn verplichtingen uit hoofde van dat Verdrag;

b. indien de in artikel I-59, lid 1 of lid 2, van de Grondwet bedoelde procedure op gang is gebracht en totdat de Raad of, in voorkomend geval, de Europese Raad hieromtrent een Europees besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is;

c. indien de Raad overeenkomstig artikel I-59, lid 1, van de Grondwet een Europees besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is of indien de Europese Raad overeenkomstig artikel I-59, lid 2, van de Grondwet een Europees besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is;

d. indien een lidstaat hiertoe eenzijdig besluit in verband met de aanvraag van een onderdaan van een andere lidstaat; in dat geval wordt de Raad onverwijld op de hoogte gesteld; de aanvraag wordt behandeld op basis van het vermoeden dat zij duidelijk ongegrond is zonder op enigerlei wijze, in welk geval dan ook, van invloed te zijn op de beslissingsbevoegdheid van de lidstaat.




23. Protocol betreffende permanente gestructureerde samenwerking, ingesteld bij artikel I-41, lid 6, en artikel III-312 van de Grondwet

De Hoge Verdragsluitende Partijen

gelet op artikel I-41, lid 6, en artikel III-312 van de Grondwet;

Memorerend dat de Europese Unie een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voert dat berust op convergentie van het optreden van de lidstaten;