Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/100

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
adelijke titels en kwalificaties; — bij welk besluit is „gelet op art. 259 van het lijfstraffelijk Wetboek”.)

§ 8.

§ 8.

Inbreuken op de vrije Godsdienstoefening.

Entraves au libre exercice des Cultes.

260. Ieder bijzonder persoon, die bij wege van feitelijkheid of bedreiging, een of meer personen gedwongen of belet zal hebben een der openlijk toegelaten godsdienstoefeningen uit te oefenen, dezelve bij te wonen, zekere feesten te vieren, zekere rustdagen waar te nemen en diensvolgens hunne werkplaatsen, winkels of pakhuizen te openen of te sluiten en zekeren arbeid te doen of na te laten, zal te dezer zake alleen gestraft worden met eene geldboete van zestien tot twee honderd franken en eene gevangenzetting van zes dagen tot twee manden. 260. Tout particulier qui, par des voies de fait ou des menaces, aura contraint ou empêché une ou plusieurs personnes d'exercer l'un des cultes autorisés, d'assister à l'exercice de ce culte, de célébrer certaines fêtes, d'observer certains jours de repos, et, en conséquence, d'ouvrir ou de fermer leurs ateliers, boutiques ou magasins, et de faire ou quitter certains travaux, sera puni, pour ce seul fait, d'une amende de seize francs à deux cents francs, et d'un emprisonnement de six jours à deux mois.
Wet 1 Maart
1815, Stbl.
31.
— houdende voorschriften ter viering der dagen aan den openbaren christelijken godsdienst toegewijd.
261. Die eenige godsdienstoefening belet, vertraagd of afgebroken zullen hebben door het verwekken van beroeringen of wanorde in de kerk of andere tot die godsdienstoefening geschikte of werkelijk gebruikt wordende plaats, zullen gestraft worden met eene geldboete van zestien tot drie honderd franken, en eene gevangenzetting van zes dagen tot drie maanden. 261. Ceux qui auront empêché, retardé ou interrompu les exercices d'un culte par des troubles ou désordres causés dans le temple ou autre lieu destiné ou servant actuellement à ces exercices, seront punis d'une amende de seize francs à trois cents francs, et d'un emprisonnement de six jours à trois mois.
262. Al wie, met woorden of gebaarden (gebaren), de voorwerpen van eenige eerdienst in de plaatsen tot derzelver oefening geschikt of werkelijk gebruikt wordende; of wel de leeraars (of bedienaars) van die eerdienst in de waarneming hunner bediening, bespotting aangedaan zal hebben, zal gestraft worden met eene boete van zestien tot vijf honderd franken, en eene gevangenis van veertien dagen tot zes maanden. 262. Toute personne qui aura, par paroles ou gestes, outragé les objets d'un culte dans les lieux destinés ou servant actuellement à son exercice, ou les ministres de ce culte dans leurs fonctions, sera punie d'une amende de seize francs à cinq cents francs, et d'un emprisonnement de quinze jours à six mois.
263. Al wie een leeraar (of bedienaar) van eenige godsdienst in de waarneming van zijne bediening geslagen zal hebben, zal 263. Quiconque aura frappé le ministre d'un culte dans ses fonctions, sera puni du carcan.