Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/103

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
op haar bevel, naar de gemeente die hen opgeëischt of welke hun op verzoek van den borg tot verblijf gegeven zal worden, verzonden of gebragt worden. més ou cautionnés seront, par ses ordres, renvoyés ou conduits dans la commune qui les a réclamés, ou dans celle qui leur sera assignée pour résidence, sur la demande de la caution.

§ 3.

§ 3.

Bedelarij.

Mendicité.

274. Al wie gevonden zal worden te bedelen in eene plaats, voor welke eene openbare inrigting tot voorkoming van bedelarij in stand is, zal met drie tot zes maanden gevangenis gestraft en na het uiteinde der straf, in het bedelaarshuis gebragt worden. 274. Toute personne qui aura été trouvée mendiant dans un lieu pour lequel il existera un établissement public organisé afin d'obvier à la mendicité, sera punie de trois à six mois d'emprisonnement, et sera, après l'expiration de sa peine, conduite au dépôt de mendicité.
Art. 19, wet
29 Junij 54.
De artt. 271 laatste gedeelte, 272, 273, 274 en 282 van het Wetboek van Strafregt worden vervangen door de navolgende bepalingen:
Die bedelende wordt gevonden in eene plaats, voor elke eene openbare inrigting tot voorkoming van bedelarij bestaat, wordt gestraft met gevangenis van veertien dagen tot zes maanden.
De regter kan gelasten dat landloopers en bedelaars na het uiteinde der gevangenisstraf naar een bedelaarsgesticht of werkhuis zullen worden overgebragt. De last tot overbrenging is verpligtend ten aanzien van hen, die reeds eenmaal wegens landlooperij of bedelarij zijn veroordeeld.
Veroordeelde landloopers en bedelaars, welke vreemdelingen zijn, kunnen ten allen tijde op last der regering over de grenzen worden geleid.
Art. 20, wet
29 Junij 54.
Het art. 463 van het Wetboek van Strafregt is toepasselijk in de gevallen van art. 19 dezer wet (29 Junij 1854).
Kon. besl. 19
Aug. 1859,
Stbl. 82.
Art. 1. De aan het Rijk toebehoorende gestichten te Ommerschans en te Veenhuizen zijn bedelaarsgestichten voor het geheele Rijk, bestemd ter opneming van bedelaars en landloopers, die krachtens de bepalingen van het Wetboek van Strafregt daarin worden geplaatst, en van hunne kinderen, die niet van hunne ouders kunnen worden gescheiden.
Wet 13 Aug.
1849, Stbl.
89.
— tot regeling der toelatingen en uitzettingen van vreemdelingen.
Art. 9. Niet toegelaten vreemdelingen, die geen reis- of verblijfpas kunnen bekomen, binnen 's lands gevonden wordende, moeten over de grenzen worden gebragt. — — —
Art. 14. Vreemdelingen, die binnen vijf jaren na dagteekening van het bevel van uitzetting eens kantonregters, binnen 's lands worden aangetroffen, zonder van eene latere toelating te kunnen