Deze pagina is proefgelezen
Bijzondere verordening. |
Disposition particulière. |
|
| 290. Ieder, die zonder bij [1]) de policie daartoe gemagtigd te zijn, het werk pleegt van omroeper of aanplakker van gedrukte stukken, teekeningen, of prenten, zelfs wanneer zij met de namen van schrijvers, drukkers, teekenaars of plaatsnijders voorzien zijn, zal met een gevangenzetting van zes dagen tot twee maanden gestraft worden. | 290. Tout individu qui, sans y avoir été autorisé par la police, fera le métier de crieur ou afficheur d'écrits [imprimés], dessins ou gravures, même munis des noms [d'auteur, imprimeur, dessinateur ou graveur], sera puni d'un emprisonnement de six jours à deux mois. | |
|
||
ZEVENDE AFDEELING. |
SECTION VII. |
|
Van ongeoorloofde gezelschappen of bijeenkomsten. |
Des associations ou réunions illicites |
|
| 291. Geenerlei genootschap (of gezelschap) van meer dan twintig personen, met oogmerk om dagelijks of op zekere bepaalde dagen bijeen te komen, ten einde zich met voorwerpen van godsdienst, letterkunde, staatkunde of andere zaken bezig te houden, zal opgerigt mogen worden, dan met toestemming van de Hooge regering, en onder zoodanige voorwaarden als het openbaar gezag zal goedvinden het gezelschap op te leggen. Onder het getal van personen, bij dit artikel uitgedrukt, zullen niet begrepen zijn, die hun woonstede hebben in het huis, waar het gezelschap bijeen komt. |
291. Nulle association de plus de vingt personnes, dont le but sera de [se] réunir tous les jours ou à certains jours marqués pour s'occuper d'objets religieux, littéraires, politiques ou autres, ne pourra se former qu'avec l'agrément du gouvernement, et sous les conditions qu'il plaira à l'autorité publique d'imposer à la société. Dans le nombre de personnes indiqué par le présent article, ne sont pas comprises celles domiciliées dans la maison où l'association se réunit. |
| (Zie Wet 10 September 1853, Stbl. 102, tot regeling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen.) Wet 22 April 1855, Stbl. 32, tot regeling en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering. |
| 292. Alle genootschap van bovengemelden aard, dat zonder daartoe verleende magt opgerigt zal zijn, of na dezelve bekomen te hebben, de daarbij opgelegde voorwaarden gebroken zal hebben, zal ontbonden worden. | 292. Toute association de la nature ci-dessus exprimée qui se sera formée sans autorisation, ou qui, après l'avoir obtenue, aura enfreint les conditions à elle imposées, sera dissoute. |