Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/131

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
licht komt, zal als een libel beschouwd, en de uitgever of verspreider daarvan als paskwil-schrijver vervolg kunnen worden.
Wet 16 Mei
1829, Stbl.
34.
— houdende, aanvulling van eenige gapingen in het Wetboek van Strafregt.
Art. 1. Onverminderd de bepalingen van art. 60 van het Wetboek op het Strafregt, en in al de gevallen bij dat Wetboek niet uitdrukkelijk voorzien, zal als medepligtige van eene begane misdaad of misdrijf worden beschouwd degeen, die, hetzij door aanspraken in het openbaar ten aanhoore van eene verzameling van personen gehouden, hetzij door plakschriften, hetzij door gedrukte of ongedrukte en verknochte of verspreide geschriften, de burgers en ingezetenen zal hebben opgeruid om eene misdaad of een misdrijf te begaan.
Dezelfde bepaling is mede toepasselijk, in geval ten gevolge der oprijing slechts eene poging van misdaad of misdrijf, overeenkomstig art. 2 en 3 van het Wetboek op het Strafregt heeft plaats gehad.
Indien de opruijing geen gevolg hoegenaamd heeft gehad, zal dezelve worden gestraft met eene geldboete van 50 tot 100 gulden, of in geval van verzwarende omstandigheden met eene gevangenis, welke den tijd van zes maanden niet zal kunnen te boven gaan.
— (Omtrent opruijing tot misdaad of wanbedrijf, zie ad artt. 102, 202, 205, 217).
Art. 2. De bepalingen van art. 367 en volgende van het Wetboek op het Strafregt, tot art. 375 ingesloten, zijn ook toepasselijk op de misdrijven van laster en hoon, aangedaan aan openbare autoriteiten of aan ligchamen uit meer dan één persoon bestaande, al is het ook dat geen persoon uitdrukkelijk zij aangeduid.
3. De misdrijven van laster en hoon, schriftelijk begaan, zullen niet kunnen vervolg worden, dan op aanklagte der gelasterde of gehoonde partij.
— (Zie art. 22 Wetb. v. Strafv.).
4. De bepalingen van art. 2 en 3 dezer wet, zullen het regt om over de handelingen der openbare magten zijne gedachten te kunnen uiten en die te beoordeelen, geenszins kunnen krenken.
5. De beklaagde ter zake van de misdrijven van beleediging, laster, hoon of van de opruijingen in het laatste lid van art. 1 dezer wet vermeld, en door middel van de drukpers begaan, zal niet in regten kunnen worden betrokken door eene onmiddellijke dagvaarding om ter teregtzitting te verschijnen, zonder dat er eene voorloopige instructie en verwijzing hebbe plaats gehad.
Indien de beklaagde binnen het Koningrijk woonachtig is, zal de regter tegen hem blootelijk een bevel tot verschijning kunnen uitvaardigen, hetwelk in geval van achterblijven in een bevel tot medebrenging zal kunnen worden veranderd.
De beklaagde zal nimmer kunnen worden in hechtenis gesteld, vóór dat hij tot straf is veroordeeld.
6. De regtsvervolging, waartoe de misdrijven kunnen aanlei-