Deze pagina is proefgelezen
| ding geven, waarvan bij de drie eerste artikelen dezer wet gehandeld wordt, verjaart door een tijdsverloop van één jaar. 7. De wet van 10 April 1815, Stbl. 32, Ons besl. van 20 dier maand (Journ. Offic. 10), mitsgaders de wet van 6 Maart 1818, Stbl. 11 worden ingetrokken. |
|
| Wet 1 Junij 1830, Stbl. 15. |
tot beteugeling van hoon en laster en andere vergrijpen tegen het openbaar gezag en de algemeene rust. Art. 1. Al wie boosaardiglijk en openbaar, op welke wijze ook, of door welk middel de waardigheid of het gezag van den Koning, of de regten van het Koninklijk stamhuis zal hebben aangerand of den persoon des Konings op gelijke wijze zal hebben gesmaad, gehoond of gelasterd, zal worden gestraft met eene gevangenis van twee tot vijf jaren. 2. Gelijke smaad, hoon en laster aan eenig lid van het Koninklijk huis, zal gestraft worden met eene gevangenis van één tot drie jaren. 3. Al wie boosaardiglijk en openbaar, op welke wijze ook, of door welk middel, de verbindende kracht der wetten aangerand of tot ongehoorzaamheid aan dezelve aangespoord zal hebben, zal met eene gevangenis van zes maanden tot drie jaren gestraft worden. Deze bepaling zal echter geene belemmering toebrengen aan de vrijheid van regtsvordering of verdediging voor de regtbanken of andere gestelde magten. 4. In geval van gerhaald misdrijf zullen de straffen bij deze wet vastgesteld, met de helft van het maximum kunnen worden verzwaard. Hetzelfde zal kunnen plaats hebben ten aanzien der straffen bij artt. 1 en 2 der wet van den 16 Mei 1829 vastgesteld, in geval van herhaling der misdrijven bij die artikelen vermeld. 5. De beklaagden ter zake van de misdrijven bij artt. 1, 2 en 3 der tegenwoordige wet vermeld, zullen niet in regten kunnen worden betrokken, zonder dat er eene voorloopige instructie en verwijzing hebben plaats gehad. 6. Het derde artikel der wet van den 16 Mei 1829, is niet toepasselijk op de misdrijven van smaad, hoon en laster aan den Koning, de leden van het Koninklijk huis, openbare autoriteiten, derzelver leden of aan ambtenaren als zoodanige, of ter zake hunner ambtsverrigtingen, aangedaan: zullende in die gevallen deze misdrijven van officie-wege, ook zonder klagte der gelasterden of gehoonden, vervolg worden. 7. De regtsvervolging der misdrijven vermeld bij deze wet, mitsgaders in artt. 1 § 3, art. 2 en 3 der wet van 16 Mei 1829, zal verjaard zijn na verloop van drie maanden sedert het begane misdrijf, of indien er vervolgingen hebben plaats gehad, sedert de laatste geregtelijke acte. |
| Wet 3 Mei 1851, Stbl. 44. |
— Regelende de verjaring der straffen, uitgesproken wegens de misdrijven, vermeld in de wetten van 16 Mei 1829, Stbl. 34 en 1 Junij 1830, Stbl. 15. |