Deze pagina is proefgelezen
| 377. Ten aanzien van te lastleggingen en honende redenen die vervat mogten zijn in de schrifturen, betrekking hebbende tot de verwering van partijen in regtzaken of in de pleidooijen; de regters, voor wie het geschil voorgedragen wordt, zullen, [1]) bij het uitwijzen der zaak, of de onderdrukking der honende woorden of schrifturen mogen bevelen, of aan degenen die er zich schuldig aan gemaakt hebben, vermaningen doen, of hen in de waarneming van hun post schorsen, en de schaden en intressen bestemmen. Deze schorsing zal niet langer dan voor zes maanden mogen zijn. In geval van nieuw vergrijp daaromtrent, zal zij ten minste voor een jaar en ten hoogste voor vijf jaren zijn. In gevalle de smaadredenen of beleedigende schrifturen het merk van zware lastering dragen, en de regters voor wie het geschil voorgedragen wordt, geen kennis van dit wanbedrijf mogen nemen, zullen zij tegen de daders niet dan eene schorsing bij voorraad in de waarneming hunner posten mogen uitspreken, en hen, tot het ondergaan der uitspraak over het wanbedrijf voor de bevoegde regters verwijzen. |
377. A l'égard des imputations et des injures qui seraient contenues dans les écrits relatifs à la défense des parties, ou dans les plaidoyers, les juges saisis de la contestation pourront, en jugeant la cause, ou prononcer la suppression des injures ou des écrits injurieux, ou faire des injonctions aux auteurs du délit, ou les suspendre de leurs fonctions, et statuer sur les dommages et intérêts. La durée de cette suspension ne pourra excéder six mois : en cas de récidive, elle sera d'un an au moins et de cinq ans au plus. Si les injures ou écrits injurieux portent le caractère de calomnie grave, et que les juges saisis de la contestation ne puissent connaître du délit, ils ne pourront prononcer contre les prévenus qu'une suspension provisoire de leurs fonctions, et les renverront, pour le jugement du délit, devant les juges compétents. |
| (Zie art. 22, Wetb. v. Burg. Regtsv.; — art. 11, 20 en 28 van het Reglement van orde en discipline voor de advocaten en procureurs; vastgesteld bij Kon. Besluit 14 Septemb. 1838, Stbl. 36). |
| 378. Genees- en heelmeesters, en andere soortgelijke ambtenaren, alsmede de artsenijbereiders, vroedvrouwen, en alle andere personen, door hun staat of beroep, kennis dragende van geheimen welke hun toebetrouwd worden, wanneer zij, buiten de gevallen, waarin de wet hen verpligt om zich aanbrenger te stellen, deze geheimen geopenbaard zullen hebben, zullen gestraft worden met een gevangenis van één tot zes maanden en eene boete van honderd tot vijf honderd franken. | 378. Les médecins, chirurgiens et autres officiers de santé, ainsi que les pharmaciens, les sages-femmes, et toutes autres personnes dépositaires, par état ou profession, des secrets qu'on leur confie, qui, hors le cas où la loi les oblige à se porter dénonciateurs, auront révélé ces secrets, seront punis d'un emprisonnement d'un mois à six mois, et d'une amende de cent francs à cinq cents francs. |
| (Zie artt. 14, 65 Wetb. v. Strafv.) |
- ↑ Beter: zullen de regters voor wie het geschil voorgedragen wordt, bij het —.