Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/140

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
Art. 20, wet
29 Junij 54.
Het art. 463 van het Wetboek van Strafregt is toepasselijk in de gevallen van art. 14 dezer wet (29 Junij 1854).
2°. In gevalle de schuldige, of een der schuldigen, openlijke of verborgen wapenen bij zich had, schoon dan ook de plaats, waar de diefstal gepleegd is, niet bewoond wierd noch ook tot bewoning diende, en schoon ook de dieverij bij den dag en door één eenig persoon begaan zoude mogen zijn;
3°. In gevalle de dief een huis- of loonbediende is; zelfs wanneer hij den diefstal begaan mogt hebben jegens lieden die hij niet diende, maar die zich, hetzij in het huis van zijn heer, hetzij in het huis, waar hij met zijn heer was, bevonden; of in gevalle hij een handwerksman, gezel, of leerknecht in het huis, de werkplaats, of den winkel of het pakhuis van zijn meester is, of iemand die in de woning waar hij gestolen heeft, gewoon was te werken;
2°. Si le coupable, ou l'un des coupables, était porteur d'armes apparentes ou cachées, même quoique le lieu où le vol a été commis ne fût ni habité ni servant à l'habitation, et encore quoique le vol ait été commis le jour et par une seule personne;
3°. Si le voleur est un domestique ou un homme de service à gage, même lorsqu'il aura commis le vol envers des personnes qu'il ne servait pas, mais qui se trouvaient soit dans la maison de son maître, soit dans celle où il l'accompagnait ; ou si c'est un ouvrier, compagnon ou apprenti, dans la maison, l'atelier ou le magasin de son maître, ou un individu travaillant habituellement dans l'habitation où il aura volé;
Art. 14 wet
29 Junij 54.
Met gevangenisstraf van twee tot vijf jaren worden gestraft: — —
6°. diefstal, vermeld in art. 386, n°. 3 van het Wetboek van Strafregt; —
De veroordeelden wegens de diefstallen onder n°. 6 — — vermeld, kunnen worden ontzet van de regten in art. 8 (der wet 29 Junij 1854) opgenoemd, gedurende den tijd van vijf tot tien jaren.
Art. 20, wet
29 Junij 54.
Het art. 463 van het Wetboek van Strafregt is toepasselijk in de gevallen van art. 14 dezer wet (29 Junij 1854).
4°. In gevalle de dieverij gepleegd is door een herbergier, een logementhouder, een voerman, een schipper of schuitenvoerder, of een van hun bedienden, wanneer zij goederen die hun als zoodanig toevertrouwd waren, geheel of ten deele gestolen hebben; of eindelijk, zoo de schuldige den diefstal gepleegd heeft in de herberg of het logement (hotellerie), waar hij intrek had. 4° Si le vol a été commis par un aubergiste, un hôtelier, un voiturier, un batelier ou un de leurs préposés, lorsqu'ils auront volé tout ou partie des choses qui leur étaient confiées à ce titre; ou enfin, si le coupable a commis le vol dans l'auberge ou l'hôtellerie dans laquelle il était reçu.
Art. 14 wet
29 Junij 54.
Met gevangenisstraf van twee tot vijf jaren worden gestraft: — —
7°. diefstal, vermeld in n°. 4 van hetzelve art. 386, doch alleen in het geval, dat hij is bedreven door iemand in herbergen opgenomen.