Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/152

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
Keiz.decreet
13 Oct. 1812,
B.d.l.no.158.
— houdende reglementaire bepalingen op de Hollandsche loterij; — (waarbij aangehaald, de wet van 9 Vendemiaire an VI).
(Wet)22Julij
1814, Stbl.86.
— houdende verbod van alle vreemde of particuliere loterijen.
Souv. besluit.
19 Jan. 1814,
Stbl. 15.
— betreffende het verbod van verkoop, in huurgeving en kanscontracten, zoowel als ten aanzien van het geven van crediet aan particulieren, door collecteurs, geautoriseerde splitters en geadmitteerde debitanten der Nederlandsche loterij: — ingetrokken bij
Kon. besluit
5 Nov. 1818,
Stbl. 37.
— houdende bepalingen ten opzigte van de uitgifte, het verkoopen en debiteren van loten der Nederlandsche loterij.
Kon. besluit
3Maart 1824,
Stbl. 22.
— houdende verbod aan ongekwalificeerde personen om, ten behoeve van het publiek, inlagen in eenige loterij hoegenaamd te ontvangen of te bezorgen.
Kon. besluit
13Nov. 1827,
Stbl. 50.
— houdende afschaffing der Genuésche loterij binnen het Rijk en nadere bepalingen omtrent de Koninklijke Nederlandsche loterij.
Kon. besluit
31 Mei 1828,
Stbl. 34.
— houdende uitlegging van art. 1 van dat van den 3 Maart 1824, Stbl. 22, betreffende de onderhandsche verlotingen.
Kon. besluit
6 Jan. 1831,
Stbl. 2.
— houdende voorloopige wijzigingen in de inrigting en het debiet der Nederlandsche loterij.
Kon. besluit
20 Apr. 1866,
Stbl. 76.
— houdende verbod van het verhuren van loten in de staatsloterij.
(Zie art. 21, wet 29 Junij 1854).
411. Diegenen die zonder wettigen vergunning, leenhuizen op pand of zekerheid opgeright of gehouden zullen hebben, of in gevalle van wettige vergunning geen boek gehouden zullen hebben als reglementen vereischen, houdende achtereen, en zonder eenig wit tusschen beide of eenige tusschenregel, de te leen verstrekte sommen of zaken, de namen, woonplaatsen, en het beroep van de leeners, den aard, de hoedanigheid en waarde van hetgeen tot zekerheid gegeven is, zullen gestraft worden met gevangenzetting van ten minste veertien dagen, ten hoogste drie maanden, en eene geldboete van honderd tot twee duizend franken. 411. Ceux qui auront établi ou tenu des maisons de prêt sur gages ou nantissement, sans autorisation légale, ou qui, ayant une autorisation, n'auront pas tenu un registre conforme aux règlements, contenant de suite, sens aucun blanc ni interligne, les sommes ou les objets prêtés, les nom, domicile et profession des emprunteurs, la nature, la qualité, la valeur des objets mis en nantissement, seront punis d'un emprisonnement de quinze jours au moins, de trois mois au plus, et d'une amende de cent francs à deux mille francs.
Zie Decr. Impér. 24 Juin 1806, qui prohibe les maisons de jeux de hazard. Bull. d. l. 101).