Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/162

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
diegenen, die door het doen springen van een mijn, gebouwen, schepen of schuiten vernield zullen hebben. contre ceux qui auront détruit, par l'effet d'une mine, des édifices, navires ou bateaux.
Art. 13, wet
29 Junij 54.
De doodstraf wordt veranderd in tuchthuisstraf van vijf tot twintig jaren, ten aanzien der misdaden van:
5°. brandstichting, omschreven in de artt. 435 — van het Wetboek van Strafregt, wanneer niet te voorzien was dat eenig menschenleven daardoor in gevaar kon worden gebragt.
— Art. 9 (omtrent verzachtende omstandigheden) dezer wet (29 Junij 1854) is hier niet van toepassing.
436. De bedreiging van een woning of eenig ander eigendom in den brand te steken, zal gestraft worden met de straf die tegen het bedreigen van vermoording gesteld is, en volgens de onderscheiding, bij artikel 305 tot 307 ingesloten, gemaakt. 436. La menace d'incendier une habitation ou toute autre propriété, sera punie de la peine portée contre la menace d'assassinat, et d'après les distinctions établies par les articles 305, 306 et 307.
437. Al wie opzettelijk, door welk middel het zijn mag, gebouwen, bruggen, dijken, wegen, of andere werken, die hij wist aan een ander toe te behooren, vernield of afgeworpen zal hebben, zal gestraft worden met het tuchthuis (van vijf tot tien jaren) en eene geldboete die niet boven het vierde deel der teruggaven en schadeloosstellingen, noch ook beneden de honderd franken zal mogen zijn.

In geval er iemand bij omgekomen of gekwetst is geworden, zal de schuldige in het eerste geval met den dood, en in het tweede met dwangarbeid voor een tijd (eene tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens vijftien jaren) gestraft worden.
437. Quiconque aura volon-tairement détruit ou renversé, par quelque moyen que ce soit, en tout ou en partie, des édifices, des ponts, digues ou chaussées ou autres constructions qu'il savait appartenir à autrui, sera puni de la réclusion, et d'une amende qui ne pourra excéder le quart des restitutions et indemnités, ni être au-dessous de cent francs.
S'il y a eu homicide ou blessures, le coupable sera, dans le premier cas, puni de mort, et dans le second, puni de la peine des travaux forcés à temps.
Kon. Besl. 19
Aug. 1823,
Stbl. 33.
(betrekkelijk de vernielingen of bedervingen van dijken en andere openbare werken: zie ad art. 379).
438. Al wie zich feitelijkerwijze verzet zal hebben tegen het maken van werken, die op gezag der Hooge regering aangelegd of gebouwd worden, zal gestraft worden met een gevangenis van drie maanden tot twee jaren, en eene geldboete, die niet boven het vierde deel der schaden en intressen, noch 438. Quiconque, par des voies de fait, se sera opposé à la confection de travaux autorisés par le Gouvernement, sera puni d'un emprisonnement de trois mois à deux ans, et d'une amende qui ne pourra excéder le quart des dommages-intérêts,