Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/168

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
In geval hierdoor eenige beschadiging onstaan is, zal de straf, boven de geldboete nog in een gevangenis van zes dagen tot één maand bestaan. S'il est résulté du fait quelques dégradations, la peine sera, outre l'amende, un emprisonnement de six jours à un mois.
Kon. Besl. 28
Aug. 1820,
Stbl. 19.
nopens de toepassing der in vigeur zijnde wetten op de policie der door loopend water werkende molens en usines enz.
458. Het in brand raken van eens anders roerende of onroerende eigendommen, onstaan door de oudheid, of bij gebreke hetzij van het onderhouden of herstellen, hetzij van het vegen der ovens, schoorsteenen, smidsen, werkplaatsen, naburige huizen of smederijen, of door het aansteken van vuren in de velden, op minder dan honderd meters van de huizen, gebouwen, bosschen, heiden, plantaadjen, boomgaarden, beplantingen, hagen, bargen, korenstapels, stroo, hooi, voeraadje, of andere voorraad van brandbare zaken, of door vuur of licht zonder genoegzame voorzorg te dragen of te laten liggen of staan, of door het onvoorzigtig aan- of afsteken of laten afgaan van vuurwerken, zal gestraft worden met eene geldboete van ten minste vijftig en ten hoogste vijf honderd franken. 458. L'incendie des propriétés mobilières ou immobilières d'autrui, qui aura été causé par la vétusté ou le défaut soit de réparation, soit de nettoyage des fours, cheminées, forges, maisons ou usines prochaines, ou par des feux allumés dans les champs à moins de cent mètres [des] maisons, édifices, forêts, bruyères, bois, vergers, plantations, haies, meules, tas de grains, pailles, foins, fourrages, ou de tout autre dépôt de matières combustibles, ou par des feux ou lumières portés ou laissés sans précaution suffisante, ou par des pièces d'artifice allumées ou tirées par négligence ou imprudence, sera puni d'une amende de cinquante francs au moins, et de cinq cents francs au plus.
Wet 19 Jan.
1808.
— houdende verbod tegen het oplaten van luchtbollen waaraan gehecht zijn lampen, fakkels of eenige andere brandende stoffen.
(Omtrent de correctie, daarin bij art. 3 voorkomende, zie art. 5, 2° al., wet 29 Junij 1854).
Wet 26 Jan
1815, Stbl 7.
— houdende bepalingen en voorbehoedsmiddelen, omtrent den vervoer van buskruid, oorlogsbehoeften en brandstoffen.
(Omtrent de in deze wet voorkomende straf van correctie, zie art. 6, 2° al. der wet 29 Junij 1854).
Kon. besl. 31
Jan. 1824,
Stbl. 19.
— rakende de vergunningen ter oprigting van sommige fabrijken en trafijken.
Kon. besl. 18
Febr. 1846,
Stbl. 9.
— houdende bepaling dat tot daarstelling of verandering van fabrijken van lucifers en zwavelstokken-makerijen, de toestemming der plaatselijke besturen wordt vereischt.
459. Ieder houder of oppasser van dieren of van melk- of slagtbeesten, die verdacht zijn van aangedaan te zijn van besmettelijke ziekte, die niet dadelijk 459. Tout détenteur ou gardien d'animaux ou de bestiaux soupçonnés d'être infectés de maladie contagieuse, qui n'aura pas