Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/169

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
kennis daarvan gegeven zal hebben aan den maire der gemeente, waar zij gevonden worden, en die zelfs vóór dat de maire op die kennisgeving geantwoord heeft, deze dieren of melk- of slagtbeesten niet opgesloten gehouden zal hebben, zal gestraft worden met een gevangenis van zes dagen tot twee maanden, en eene geldboete van zestien tot twee honderd franken. averti sur-le-champ le maire de la commune où ils se trouvent, et qui même, avant que le maire ait répondu à l'avertissement, ne les aura pas tenus renfermés, sera puni d'un emprisonnement de six jours à deux mois, et d'une amende de seize francs à deux cents francs.
Wet 9 Julij
1842, Stbl.
21.
— tot wijziging en aanvulling der wet van den 30 Mei 1840, Staatsbl. 16, houdende eene belasting op de runderen enz.
Art. 5. Een ieder, die zich weigerachtig mogt betoonen, om zijn vee voor de beschrijving te laten opnemen; die nalatig of weigerachtig mogt zijn, om aan de in het algemeene belang van den veestapel reeds vastgestelde of nog nader vast te stellen maatregelen en bepalingen te voldoen; om onverwijld aangifte wegens de ziekte van zijn vee te doen; om de personen, welke van Regeringswege tot onderzoek van ziek of verdacht vee gezonden worden, des noodig vergezeld van het hoofd of een lid van plaatselijk bestuur, daartoe in de behuizingen, op de stallen, in de weiden of op andere plaatsen toe te laten; om de van hem gevorde opgaven, aanwijzingen of inlichtingen te geven, of het vee, waarbij zulks doelmatig geoordeeld wordt, des gevorderd, te doen dooden, en om, in het algemeen, zich te onderwerpen aan de bevelen, welke ten deze van Regeringswege ten algemeene nutte worden gegeven, zal, in zooverre daartegen bij het Wetboek van Strafregt niet is voorzien, gestraft worden met eene gevangenis van acht dagen tot twee maanden, of met eene geldboete van ƒ 25 tot ƒ 200; zullende bij de toepassing der straf, indien daartoe termen zijn, door den Regter gebruik kunnen gemaakt worden van de bevoegdheid bij art. 463 van het Wetboek van Strafregt toegekend.
En zal dien onverminderd het gegeven bevel, waaromtrent nalatigheid of verzet mogt hebben plaats gehad, onverwijld moeten worden ten uitvoer gelegd, des noods onder inroeping der sterke magt, welke hiertoe in dusdanig geval dienstbaar gesteld wordt.
Wet 19 April
1867,Stbl.30.
— houdende voorzieningen omtrent den veetyphus.
Art. 12. Onverminderd de bepalingen in de artt. 459 tot 462 van het strafwetboek is ieder eigenaar, houder of hoeder van vee, wanneer het bestaan van veetyphus binnen het Rijk door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken is bekend gemaakt, op boete van ƒ 25 tot ƒ 100 voor iedere overtreding, verpligt, onmiddelijk aan den burgermeester van iedere ziekte kennis te geven, waardoor één of meer stuks van zijn rund- of wolvee zijn aangetast.
Art. 18. — — Artt. 5 en 6 der wet 9 Julij 1842, Stbl. 21, zijn alleen toepasselijk voor zoover geen veetyphus op de wijze in art. 12 (dezer wet) vermeld, is geconstateerd.