Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/174

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

TWEEDE HOOFDSTUK.

CHAPITRE II.

Overtredingen en straffen.

Contraventions et peines.

EERSTE AFDEELING.

SECTION I.

Eerste soortverdeeling of klasse.

Première classe.

471. Met eene geldboete, van één tot vijf franken ingesloten, zullen gestraft worden:
1°. Die nalatig geweest zullen zijn, de ovens, schoorsteenen of stookplaatsen waar gestookt wordt, te onderhouden, the herstellen, of te vegen.
2°. Die het verbod van op zekere plaatsen vuurwerken af te steken, overtreden zullen hebben.
471. Seront punis d'amende, depuis un franc jusqu'à cinq francs inclusivement:
1°. Ceux qui auront négligé d'entretenir, réparer ou nettoyer les fours, cheminées ou usines où l'on fait usage du feu.
2°. Ceux qui auront violé la défense de tirer, en certains lieux, des pièces d'artifice.
(Zie wet 19 Januarij 1808, opgegeven bij art. 458.)
3°. De herbergiers en anderen, die verpligt zijnde licht te branden, dit verzuimd zullen hebben. Diegenen, die in de gemeenten, waar dit ten laste der inwoners gelaten is, het schoonmaken der straten of stegen verzuimd zullen hebben.
4°. Diegenen, die den openbaren weg belemmerd zullen hebben, met daar, buiten noodzaak, bouwstoffen of andere zaken, hoegenaamd ook, neêr te leggen (of te laten liggen [1]), waardoor de vrijheid of veiligheid van den doorgang belet of verminderd wordt. Diegenen, die, met overtreding van de wetten en verordeningen, verzuimd zullen hebben licht te doen branden bij de door hen op de straat gelegd dingen, of de door hen in de straten en pleinen gedane opgravingen.
5°. Diegenen, die verzuimd of geweigerd zullen hebben de verordeningen of reglementen, betreffende de vuilnishoopen na te komen, of aan de aanzegging der regering te gehoorzamen ten aanzien van het herstellen of afbreken van vervallen huizen.
3°. Les aubergistes et autres qui, obligés à l'éclairage, l'auront négligé; ceux qui auront négligé de nettoyer les rues ou passages, dans les communes où ce soin est laissé à la charge des habitants.
4°. Ceux qui auront embarrassé la voie publique, en y déposant ou y laissant, sans nécessité, des matériaux ou des choses quelconques qui empêchent ou diminuent la liberté ou la sûreté du passage; ceux qui, en contravention aux lois et règlements, auront négligé d'éclairer les matériaux par eux entreposés ou les excavations par eux faites dans les rues et places.

5°. Ceux qui auront négligé ou refusé d'exécuter les règlements ou arrêtés concernant la petite voirie, ou d'obéir à la sommation émanée de l'autorité administrative, de réparer ou démolir les édifices menaçant ruine.
  1. Deze woorden ontbreken in de officiële vertaling.