Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/187

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

α. het kiesregt;
b. het waarnemen van alle openbare bedieningen of ambten;
c. het zijn van voogd of curator over vreemden;
d. het zijn van voogd of curator over eigen kinderen;
e. het afleggen van getuigenis onder eede in burgerlijke zaken in geval van wraking;
f het regt om schietgeweer of wapenen te dragen.
Het wordt den regter overgelaten de ontzetting dier regten, of sommige hunner, al of niet uit te spreken.
De ontzetting van de waarneming van bedieningen of ambten is echter in de gevallen van artt. 5 en 6 dezer wet, en artt. 113 en 171 van het Wetboek van Strafregt alleen dan niet verpligtend, wanneer de regter art. 463 van dat Wetboek toepast.
9. Wanneer de beschuldigde, hetzij uithoofde zijner jonge jaren, hetzij wegens dwang, bevel, billijke vrees, verleiding, bekrompenheid van verstand, de geringheid of het vrijwillig herstel des nadeels door de misdaad toegebragt, of andere verzachtende omstandigheden eene aanmerkelijke vermindering van straf mogt verdienen, kunnen de tuchthuisstraf van vijf tot twintig jaren en deportatie door eene correctionele gevangenis van één jaar minstens, de tuchthuisstraf van vijf tot vijftien jaren door eene correctionele gevangenis van zes maanden minstens, de gewone tuchthuisstraf van vijf tot tien jaren en verbanning door eene correctionele gevangenis van drie maanden minstens worden vervangen.
Deze correctionele gevangenisstraffen kunnen door de toepassing van art. 2 der wet van 28 Junij 1851 (Staatsbl, no. 68), en art. 7 dezer wet, niet lager dan tot de helft afdalen.
10. Poging tot misdaad wordt gestraft met de straf volgende op die, welke bij de wet tegen de misdaad zelve is bedreigd.
De poging wordt gestraft, indien:
tegen de misdaad zelve deportatie is bedreigd, met tuchthuisstraf van vijf tot vijftien jaren;
tegen de misdaad zelve tuchthuisstraf (réclusion) of verbanning is bedreigd, met eene correctionele gevangenisstraf van één tot vijf jaren.
De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op bijkomende straffen naast de hoofdstraf in het Strafwetboek bedreigd.
Deze straffen worden gelijkelijk op de poging als op de daad zelve toegepast.
11. De artt. 56, 57 en 58 van het Wetboek van Strafregt zijn afgeschaft.
Indien iemand, na reeds te voren hetzij tot eene criminele straf, hetzij tot eene gevangenisstraf voor den tijd van langer dan één jaar, of tot eenzame opsluiting voor den tijd van langer dan zes maanden veroordeeld te zijn geweest, andermaal wegens misdaad of wanbedrijf, daarna gepleegd, te regt staat, stelt de vroegere veroordeeling eene verzwarende omstandigheid daar, waarop de regter, behoudens de bepalingen van artt. 9 en 20 dezer wet, bij de toepassing der straf acht moet geven.
De regter is bevoegd de straf van verbanning, tuchthuis of gevangenis zelfs met een derde boven het maximum te verhoogen.