Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/188

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

12. Het art. 11 is ook toepasselijk na voorafgaande veroordeeling door den militairen strafregter, doch niet anders dan in de gevallen, aangeduid in de wet van 3 Maart 1852 (Staatsbl, no. 20).
13. De doodstraf wordt veranderd in tuchthuisstraf van vijf tot twintig jaren, ten aanzien der misdaden van:
1º. valsche munt, omschreven in art. 6 der wet van 24 April 1836, (Staatsbl, no. 13);
2º. valschheid, omschreven in art. 139 van het Wetboek van Strafregt;
3º. manslag, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van eene andere misdaad of een wanbedrijf, mits de manslag niet gestrekt heeft om het plegen van die misdaad of dat wanbedrijf voor te bereiden, gemakkelijk te maken of de ontdekking daarvan voor te komen.
4°. kindermoord, voor de eerste maal door de ongehuwde moeder gepleegd;
5º. brandstichting, omschreven in de artt. 434 en 435 van het Wetboek van Strafregt, wanneer niet te voorzien was dat eenig menschenleven daardoor in gevaar kon worden gebragt.
(Art. 9 dezer wet is hier niet van toepassing.)
14. Met gevangenisstraf van twee tot vijf jaren worden gestraft:
1º. De gewelddadigheden tegen ambtenaren en agenten, vermeld in art. 230 van het Wetboek van Strafregt, indien zij slechts bloedstorting, kwetsing of ziekte hebben voortgebragt;
2º. de gewelddadigheden in art. 309 van dat Wetboek vermeld;
3º. diefstal op den openbaren weg, zonder geweld of bedreiging;
4º. diefstal met braak, inklimming of valsche sleutels, op plaatsen, die niet als bewoonde huizen worden aangemerkt of daarmede gelijkgesteld;
5º. diefstal bij nacht, door meer dan één persoon, op plaatsen, niet als bewoonde huizen worden aangemerkt of daarmede gelijkgesteld,
6º. diefstal, vermeld in art. 386, no. 3, van het Wetboek van Strafregt;
7°. diefstal, vermeld in no. 4 van hetzelfde art. 386, doch alleen in het geval, dat hij is bedreven door iemand in herbergen opgenomen.
De veroordeelden wegens de diefstallen onder nis. 3°. tot en met 7°. vermeld, kunnen worden ontzet van de regten in art. 8 opgenoemd, gedurende den tijd van vijf tot tien jaren.
15. Art. 312 van het Wetboek van Strafregt wordt ingetrokken en de gewelddadigheid jegens wettige of natuurlijke ouders of jegens grootouders als eene verzwarende omstandigheid aangemerkt, waarop de regter, behoudens de bepalingen van artt. 9 en 20 dezer wet, bij de toepassing der straf moet acht geven.
De regter is zelfs bevoegd de tuchthuis- of gevangenisstraf met een derde boven het maximum te verhoogen.
16. Met de straffen, in art. 401 van het Wetboek van Strafregt bedreigd, worden gestraft de in art. 388 van dat Wetboek omschrevene diefstallen van gereedschappen van landbouw, oogsten, koren- of graanstapels of hoopen, die een deel van den oogst uitmaken, in de weiden of op de akkers; steendieverijen in steengroeven; dieverijen van hout op koopen gesteld; en van visch in de vijvers, vischkommen of bewaarplaatsen van visch.