Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/192

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

WET
van den 25 December 1860,
HOUDENDE AANVULLING VAN ART. 10 DER WET VAN DEN 29
JUNIJ 1854 (STAATSBLAD Nº. 102) OMTRENT STRAF-
BARE POGING TOT MISDAAD.

UITGEGEVEN DEN 31 DECEMBER 1860,
Staatsbl. 102.



Eenig artikel. Art. 10 der wet van 29 Junij 1854 (Staatsblad nº. 102) wordt aangevuld met de volgende bepaling:
Poging tot misdaad wordt gestraft, indien tegen de misdaad zelve tuchthuisstraf van vijf tot twintig jaren bedreigd is, met tuchthuisstraf van vijf tot vijftien jaren.



WET
van den 22 April 1864,
HOUDENDE BEPALINGEN VOOR HET GEVAL VAN WANBETALING
VAN BOETEN IN STRAFZAKEN,

UITGEGEVEN DEN 2 MEI 1864,
Staatsbl. 29.



Artikel 1. Bij elke door deze wet niet uitgezonderde veroordeeling tot geldboete wordt door den regter bepaald dat de boete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, vervangen zal worden door gevangenisstraf van:

ten hoogste een jaar en ten minste drie maanden, indien meer dan ƒ 3000,
ten hoogste negen maanden en ten minste twee maanden, indien meer dan ƒ 1500,
ten hoogste zes maanden en ten minste eene maand, indien meer danƒ 500,
ten hoogste drie maanden en ten minste veertien dagen, indien meer dan ƒ 300,
ten hoogste twee maanden en ten minste zeven dagen, indien meer dan ƒ 200,
ten hoogste eene maand en ten minste vier dagen, indien meer dan ƒ 100,
ten hoogste veertien dagen en ten minste drie dagen, indien meer danƒ 50,
ten hoogste zeven dagen en ten minste twee dagen, indien meer dan ƒ 10,
ten hoogste drie dagen en ten minste een dag, indien niet meer dan f 10 aan boete is opgelegd.

De gevangenisstraf van eene maand duurt dertig dagen, die van een dag vier en twintig uren.