2. Deze gevangenisstraf wordt niet aangemerkt als eene andere straf dan de geldboete.
Zij wordt door hen, die wegens misdaad of wanbedrijf zijn veroordeeld, op dezelfde wijze en in dezelfde gevangenis ondergaan als de correctionele gevangenisstraf, en door hen, die wegens overtreding zijn veroordeeld, op dezelfde wijze en in dezelfde gevangenis als de politiegevangenisstraf.
Wanneer de hoofdstraf in eenzame opsluiting moet worden ondergaan, ook dan wanneer die voor den tijd van een jaar is opgelegd, bepaalt de regter, dat de gevangenisstraf, die, bij wanbetaling, in de plaats der geldboete treedt, op gelijke wijze zal worden uitgevoerd, met inachtneming der bij art. 2 der wet van den 28 Junij 1851 (Staatsblad nº. 68)_vastgestelde verhouding.
3. De gevangenisstraffen, die, ter vervanging van onderscheidene geldboeten, bij hetzelfde vonnis of arrest worden opgelegd, kunnen te zamen den tijd van een jaar niet te boven gaan.
De gevangenisstraf, die de geldboeten vervangt, wordt opgelegd ook dan, wanneer andere bij hetzelfde vonnis of arrest opgelegde straffen het bij de wet gestelde maximum hebben bereikt.
De bepalingen van dit artikel zijn ook toepasselijk wanneer blijkt dat de beklaagde te voren, doch na het plegen van het feit, hetwelk het onderwerp zijner teregtstelling uitmaakt, ter zake van andere misdrijven is veroordeeld geweest.
4. Wanneer meer personen bij dezelfde regterlijke uitspraak wegens hetzelfde misdrijf worden veroordeeld, is ieder hunner slechts aansprakelijk voor de hem persoonlijk opgelegde boete.
5. De aanmaningen, bij deze wet bevolen, geschieden kosteloos door de ambtenaren door Ons daartoe, bij algemeene maatregel van inwendig bestuur, aan te wijzen, en zijn vrij van zegel- en registratieregten.
Zij worden gedaan op vordering van den bevoegden ontvanger der registratie, gemeente- ontvanger of ontvanger van het waterschap, in naam van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het regterlijk collegie of kantongeregt, dat de veroordeeling heeft uitgesproken.
Bij niet- voldoening aan het regterlijk bevel binnen den bij art. 1 gestelden termijn, geeft de ontvanger daarvan zoo spoedig mogelijk kennis aan den ambtenaar van het openbaar ministerie, in wiens naam de aanmaning is gedaan, onder overlegging der stukken, waaruit blijkt wat door hem ter vervolging is verrigt.
De ambtenaar van het openbaar ministerie geeft daarna de noodige bevelen tot tenuitvoerlegging der gevangenisstraf.
Nadat de tenuitvoerlegging der gevangenisstraf is aangevangen, bevrijdt de betaling der geldboete den veroordeelde van den verderen duur dier straf.
6. De aanmaningen bij deze wet bevolen geschieden:
zoo de veroordeelde in hechtenis is, aan zijnen persoon;
zoo hij niet in hechtenis is, aan zijnen persoon of zijne woonplaats; indien hij hier te lande geene bekende woonplaats heeft, aan zijn laatste verblijf hier te lande;
zoo ook dit onbekend is of zoo de veroordeelde hier te lande geen verblijf heeft gehad, door middel van aanplakking aan het gebouw,