waar de regter zitting houdt, die de veroordeeling heeft uitgesproken.
7. Elke aanmaning vermeldt den dag waarop, den ambtenaar door wien, op wiens vordering en in wiens naam de aanmaning geschiedt, benevens de plaats, waar de betaling of andere bij art. 10 bedoelde voldoening aan de regterlijke uitspraak moet geschieden.
Met uitzondering van het geval, dat de aanmaning wordt aangeplakt, wordt daarvan afschrift gelaten aan den veroordeelde, of ter plaatse, waar zij geschiedt, met vermelding van den persoon, aan wien het afschrift is gelaten.
Indien de ambtenaar, met het doen der aanmaning belast, noch den persoon, aan wien zij is gerigt, noch iemand van diens huisgenooten ter plaatse, waar het exploit geschieden moet, vindt, stelt hij het afschrift ter hand aan den burgemeester der gemeente, waartoe die plaats behoort, door wien het oorspronkelijke voor gezien wordt geteekend.
Zoowel de oorspronkelijke aanmaning als haar afschrift wordt geteekend door den ambtenaar, door wien zij geschiedt.
8. Deze wet is niet van toepassing in zaken van rijksbelasting, noch in die, waarover een andere dan de gewone regter in strafzaken oordeelt.
De in die zaken thans geldende bepalingen voor het geval van wanbetaling van boeten en geregtskosten blijven van kracht.
9. Alle door art. 8 niet in stand gehouden bepalingen, bij welke gevangenisstraf is bedreigd voor het geval van wanbetaling van boeten en geregtskosten, gezamenlijk of afzonderlijk, zijn afgeschaft.
Voor alle andere gevallen, waarin wegens het niet voldoen aan de regterlijke uitspraak gevangenisstraf of gevangenzetting is bedreigd, wordt de duur daarvan bepaald op een tot vijf dagen, door den veroordeelde te ondergaan bij niet-voldoening binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, boven en behalve de volgens art. 1 op te leggen gevangenisstraf.
10. Deze wet treedt in werking den 1sten September 1864. Zij is niet van toepassing op misdrijven, vóór haar in werking treden bedreven.
KONINKLIJK BESLUIT
van den 6 Augustus 1864,
TER UITVOERING VAN ART. 5. EERSTE LID, DER WET VAN DEN 22 APRIL 1864 (STAATSBLAD Nº. 29), HOUDENDE BEPALINGEN VOOR HET GEVAL VAN WANBETALING VAN BOETEN IN STRAFZAKEN,
UITGEGEVEN DEN 12 AUGUSTUS 1864,
Staatsbl. 89.
Artikel 1. Tot het doen van de aanmaningen, bevolen bij de wet van 22 April 1864 (Staatsblad nº. 29), zijn de deurwaarders en alle dienaren der openbare magt, ieder binnen den kring van het gebied waarvoor hij is aangesteld, gelijkelijk bevoegd.