In de gevallen, waarin de opbrengst der geldboete komt ten voordeele van een waterschap, is de bode of bediende van dat waterschap tot het doen van de aanmaning mede bevoegd.
2. Bij voorkeur wordt het doen van de aanmaning opgedragen:
zoo de opbrengst der geldboete komt ten voordeele eener gemeente, aan een ambtenaar der gemeente-politie, of, in zake van belasting, aan een ambtenaar der plaatselijke belastingen;
zoo de opbrengst der geldboete komt ten voordeele van een waterschap, aan den bode of bediende van dat waterschap.
3. De aanwijzing van den deurwaarder of rijksveldwachter, die met het doen der aanmaning wordt belast, geschiedt, zoo het exploit moet worden gedaan binnen het kanton, waarin de regtbank is gevestigd, in overleg met den officier van justitie, of, zoo het exploit moet worden gedaan in een ander kanton, in overleg met den regter van dat kanton.
Moet de aanmaning worden gedaan door een ambtenaar der gemeentepolitie, de aanwijzing geschiedt in overleg met den burgemeester.
4. Dit besluit treedt in werking den 1sten September 1864.