Deze pagina is proefgelezen
230, 234, 236, 238, 239, 240, 241, 245, 248, 249, 250, 252, 254, 257, 258, 259, 260, 261, 262, 271, 274, 276, 277, 283, 306, 307, 311, 314, 318, 319, 320, 326, 330, 334, 337, 338, 346, 352, 353, 356, 358, 359, 360, 371, 373, 378, 399, 401, 402, 405, 406, 410, 411, 412, 414, 417, 418, 419, 420, 423, 433, 438, 443, 445, 446, 447, 449, 450, 451, 452, 453, 454, 455, 456, 459, 460, 461, 462, 463, 464, 465, 473, 474, 478, 480, 482, 483; zie verder in de gevallen, vervangende de dégradation civique, dwangarbeid, kaakstraf en tuchthuisstraf.
Gevangenneming; zie aanhouding.
Gewapende magt; onwettig gebruik der —, alsmede om den Staat door burgeroorlog te beroeren; van openbare plundering en verwoesting, 91 volg. Bevelhebbers der —, die zich mengen in ondernemingen, zaken van koophandel enz., 176. Inroeping der — tegen de executie der wetten enz., 188—191. Beleediging van bevelhebbers der —, 224, 225. Feitelijkheden enz, tegen bevelhebbers der —, 230 volg. Weigering om de hulp der — te verleenen, 234. Diefstal gepleegd door middel van een valsch bevel of costuum der —, 381, 384; zie aanhouding, koophandel, waarschuwing.
Geweld; gebruiken van ― door ambtenaren, 186; zie afpersing.
Gewelddadigheden van kinderen jegens ouders enz., 312.
Geweldpleging, ―― tot omkooping van ambtenaren, 179. — bij misbruik van gezag, 186. — jegens ambtenaren of beambten, 228—233. — door landloopers en bedelaars, 279. — bij manslag, 303. — bij onwettige aanhouding, 344. — bij diefstal, 382, 383, 384.
Gewigten; zie maten.
Gezag; misbruik van openbaar gezag jegens bijzondere personen, 184—187. Jegens de algemeene zaak, 188—191; zie aanmatiging, ambtenaren, medepligtigheid.
Giften; zie medepligtigheid, omkooping.
Godsdienst; verstoring van de — oefening, 262, 263. Bespotting van voorwerpen enz., behoorende tot de — 262.
Godsdienstige feesten; het dwingen of beletten die te vieren, of om bij zekere — de werkplaatsen enz, te openen of te sluiten, 260.
Godsdienstige vereenigingen; zie vereenigingen.
Godsdienstleeraars; huwelijksplegtigheden verrigtende vóór de burgerlijke voltrekking, 199, 200. Berisping der hooge regering, 201, 204. Opruijing door — tegen het openbaar gezag, 202, 203, 205, 206. Verstandhouding met buitenlandsche mogendheden, 207, 208. Het bespotten van of toebrengen van slagen aan —, 262, 263. Verkrachting, 333.
Godshuizen; zamenspanning van verpleegden in —, als feitelijke weêrspannigheid, 219.
Gouden en zilveren werken; bedrog bij verkoop van —, 423; zie keurmerken.
Grachten; het dempen van —, 456.
Granen; het afsnijden van eens anders —, 449, 450.
Griffiën; het wegmaken van bescheiden, registers enz. op —, 254—256.