Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/254

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
springen van —, 95. Het door middel van — vernielen van gebouwen, schepen enz., 435.
Minderjarigen; schaking, wegvoering van — 354. Verleiding van tot onzedelijkheid, 334. Misbruik van vertrouwen van —, 406.
Minister; die willekeurige daden beveelt, 114. Onderteekening door — bij verrassing, 116. Misbruik van de handteekening van een —, 118. Onwettige vervolging van een — of andere staatsdienaren, 121.
Misdaad, 1, — tegen de openbare zaak, 75 volg. — tegen personen, 295 volg. — tegen eigendommen, 379 volg.
Misdadigers; zie schuilplaats, verberging.
Mogendheden; beleediging van vreemde —, 367.
Moord, zamenspanning tot —, 91. 295—302. Pijnigingen en wreedheden gestraft als —, 303.
Munt; valsche —, en — schennis, 132—138; zie gelden.
Muntbiljetten het namaken en vervalschen van —, 139.
Naam; aanhouding grpleegd door het bezigen van een valschen —, 344. Diefstal gepleegd door het bezigen van een valschen —, 380, 384.
Nacht; diefstal gepleegd bij — 381, 384, 385, 386.
Nachtelijk burengerucht, 479: 8, 480.
Nadruk; zie drukpers.
Nationale militie, 195, 235.
Nijverheid; het benadeelen der — door naar buitenlands zenden van opzigters eener fabriek, 417; zie fabrieken, koopwaren, bedrog.
Notarissen; het wegmaken van acten, bescheiden enz, door —, 254—256.
Omheining; zie verbreking.
Omkooping; het door — magtig worden van plans van vestingen enz. voor den vijand, 82. Ambtenaren, die zich hebben laten omkoopen, 177, 178. — van ambtenaren, ook door bedreiging enz., 179—182. — van getuigen, 365.
Omroepers; zonder magtiging, 290; zie geschriften.
Onderschuiving; zie kind.
Onreinheden; het werpen van — op iemand door onvoorzigtigheid 471: 12. Het werpen van — tegen iemands huis enz., 475: 8, 476.
Ontmanning, 316, 325.
Ontvlugting; zie gevangenen.
Ontvreemding; door comptabele ambtenaren, 169 volg. — door kinderen, ouders, echtgenooten, 380. —, diefstal, 379.
Ontzetting van regten; zie dégradation civique, burgerschapsregten.
Onvoorzigtigheid; manslag, verwonding door —, 319, 320. Brand door —, 458.
Oogst; diefstal van een deel van den —, 388. Brandstichting van een deel van den —, 434. Vernieling van —, 444.
Oordeel des onderscheids, 66, 67.
Oorlog; het wikkelen van het vaderland in den —, 76. Het blootstellen van het vaderland aan den —,84. Overgave van oorlogsplaatsen aan den vijand, 77. Het opzetten tot den burger —, 91.
Openbaarmaking; zie geheimen, vonnissen.