Deze pagina is proefgelezen
Opgravingen; het branden van licht bij —, 471: 4.
Opligting, 405.
Oproer; ontstaan door kerkelijke redevoeringen of geschriften, 202, 203, 205, 206. Oproerige vereenigingen, 213, 214; zie benden.
Opruijing tot misdrijf, 60, 102, 202, 203, 205, 206, 217, 293.
Opsluiting; zie aanhouding.
Ouderdom; wijziging van straf wegens — bij jonge jaren, 66, 67, 69. — bij hooge jaren 70, 71, 72.
Ouders; zie gewelddadigheden, ontvreemding.
Overklimming; zie inklimming.
Overmagt, 64, 400.
Overspel, 324, 336—339.
Overstrooming; veroorzaakt door eigenaars van molens en waterwerken, 457.
Overtreding, 1: 464.
Palen; diefstal door het verzetten van —, 389.
Pamphlets tegen de goede zeden, 287, 477.
Paspoorten; zie getuigschriften.
Perken; omsloten —, 391, 392. Vernielen of verbreken van — van beesten, 451.
Pijnigingen bij manslag, 303. — bij onwettige aanhouding, 344.
Plaat en prent werken tegen de goede zeden, 287, 477; zie drukpers, geschriften.
Plantsoen (hakhout); diefstal van —, 388. Brandstichting van —, 434. Verwoesting van —, 444.
Pleidooijen; beleedigende uitdrukkingen bij — en andere weren van regten, 377.
Plundering; zamenspanning tot —, 91. Bij — en oproer, de hoofdleiders verantwoordelijk voor de gepleegde misdrijven, 313. Vernieling bij — van eet—, koopwaren enz., 440—442. — verdediging tegen — 329; zie benden.
Poging, 2, 3, 89, 94—102, 179, 217, 241, 245, 317, 365, 401, 414, 415.
Policie; toezigt der hooge — (afgeschaft), 11, 44, 45, 47, 50 enz.
Processtukken; het wegmaken en verduisteren van — en dergelijke, bewaard in archiven, griffiën enz., 254, 256, 409.
Prostitutie, 334.
Provocatie, 321 volg.
Rapen van tarwe—airen enz.; het — op akkers bij den oogst, 471: 10, 473.
Redevoeringen; zie opruijing.
Registers; verduistering van —, archiven enz., 254, 256.
Regten; ontzetting van —; zie dégradation civique, burgerschapsregten.
Regters; die buiten last der regering bevelen verleenen tegen ambtenaren ter zake hunner functiën, 129. Verduisteren en vernielen van bescheiden door —, 173. Omkooping, 181—183.
Regtsbewind; aanmatiging van —, 127—131.
Regtsweigering, 185.