| 121. Als schuldig aan ambtsmisdaad, zullen met ontzetting van de burgerschapsregten (eene correctionele gevangenisstraf van één tot drie jaren, met of zonder geldboete van tien tot vijf honderd gulden, en ontzetting van de regten, in art. 8 dezer wet (29 Junij 1854) ver meld, van vijf tot tien jaren) gestraft worden, alle ambtenaren van regtspolicie, alle procureurs-generaal of keizerlijke procureurs, alle stedehouders [2]), alle regters, die een vonnis, een bevel schrift, of last, hetzij gevorderd, hetzij gegeven of geteekend zullen hebben, strekkende tot persoonlijke vervolging of beschuldiging, hetzij van een Minister, hetzij van een lid van den Senaat, van den Staatsraad, of van het wetgevend ligehaam, zonder daartoe gemagtigd te zijn als bij de Staatsregeling is voorgeschreven: of die, buiten het geval van bevinding op heeter daad of van |
|
121. Seront, comme coupables de forfaiture, punis de la dégradation civique, tout officier de police judiciaire, tous procureurs généraux ou impériaux, tous substituts, tous juges, qui auront provoqué, donné ou signé un jugement, une ordonnance ou un mandat, tendant à la poursuite personnelle ou accusation, soit d'un ministre, soit d'un membre du Sénat, du Conseil d'État ou du Corps législatif, sans les autorisations prescrites par les constitutions; ou qui, hors les cas de flagrant délit ou de clameur publique, auront, sans les mêmes autorisations, donné ou signé l'ordre ou le mandat de saisir ou arrêter un ou plusieurs ministres, ou membres du Sénat, du Con |