Deze pagina is proefgelezen
| 2. Indien het feit bestaat in het namaken, of in de misdadige deelneming aan het in omloop brengen of invoeren van nagemaakte gouden of zilveren nationale gangbare muntspecien, zullen de straffen, vervangende die van altijddurenden dwangarbeid bij art 133 vermeld, (van tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens twintig jaren), of wel, bij verligtende omstandigheden, die vervangende den tijdelijken dwangarbeid, bij art. 134 vermeld, (van tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens vijftien jaren) worden toegepast. 3. Hetzelfde zal plaats hebben, indien het feit bestaat in het altereren, en alzoo in het vervalschen, of in het verminken of uiterlijk schenden van gouden of zilveren nationale gangbare muntspeciën, — of in de misdadige deelneming aan het in omloop brengen of invoeren van zoodanige gealtereerde, en alzoo vervalschte, verminkte of geschondene muntspecien; behoudens des regters bevoegdheid, om, bij zeer verligtende omstandigheden, zoowel in het eene als in het andere dier gevallen, slechts de straf van confinement (reclusie) (tuchthuisstraf van vijf tot tien jaren) uit te spreken. 4. Indien het feit bestaat in het namaken, of ook in het altereren, en alzoo vervalschen, verminken of uiterlijk schenden van koperen nationale gangbare muntspeciën, of in de misdadige deelneming aan het in omloop brengen of invoeren derzelve, zal de straf, vervangende die van tijdelijken dwangarbeid (tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens vijftien jaren), en bij verligtende omstandigheden, die van confinement (reclusie) (tuchthuisstraf van vijf tot tien jaren) worden toegepast. 5. In de gevallen, bij art. 134 des gemelden Wetboeks voor zien, zal de straf van confinement (reclusie) (tuchthuisstraf van vijf tot tien jaren) worden toegepast, behoudens des regters bevoegdheid, om, bij verligtende omstandigheden, of ook indien de misdaad ten aanzien van koperen muntspeciën is begaan, den schuldige eene correctionele gevangenisstraf van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaren op te leggen. 6. Met de doodstraf, bij art. 132 van het gemelde Wetboek bedreigd, zullen alleen gestraft worden, de muntmeesters, of anderen, die eenig bestuur over des Rijks munt hebben, of ook werklieden bij de munt, wanneer deze zich zullen hebben schuldig gemaakt aan het namaken of doen namaken van de muntspeciën, bij art. 2 dezer wet vermeld. 7. De bepaling van art. 12 van Ons Besluit van 11 December (1813) is niet toepasselijk op de misdaden van valsche munt en muntschennis. |
|
| Art. 18, wet 29 Junij 54. |
De doodstraf wordt veranderd in tuchthuisstraf van vijf tot twintig jaren, ten aanzien der misdaden van: 1°. valsche munt, omschreven in art. 6 der wet van 24 April 1836, Stbl. no. 13. — — Art. 9 (omtrent verzachtende omstandigheden) dezer wet (29 Junij 1854) is hier niet van toepassing. |