Deze pagina is proefgelezen
| tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens vijftien jaren.) | |
| Art. 7, wet 17 Sept. 1849, Stbl. 46. |
Hij die muntbilletten nagemaakt, vervalscht, of nagemaakte of vervalschte muntbilletten met opzet in omloop gebragt of ingevoerd zal hebben, wordt gestraft met altijddurenden dwangarbeid, en, bij verzachtende omstandigheden, met tijdelijken dwangarbeid, voor zoo verre de straf in de provincie Limburg wordt uitgesproken, en in de overige provincien van het Rijk met de straffen, welke den altijddurenden of tijdelijken dwangarbeid vervangen; — (derhalve volgens art. 2 der wet 29 Junij 1854, in het eerste geval met tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens twintig jaren; in het tweede met tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens vijftien jaren.) |
| Wet 12 April 1850, Stbl. 15. | — tot vaststelling van‚ het briefport en tot regeling der aangelegenheden van de brievenposterij. Art. 9. De vooruitbetaling van het port zal, na 1 Januarij 1851, ook kunnen geschieden door het aanhechten van postzegels, tot dat einde — — — Het namaken of vervalschen van die postzegels, of het gebruik maken van zoodanige postzegels, wetende dat zij nagemaakt of vervalscht zijn, wordt gestraft met dezelfde straffen als omtrent het namaken, vervalschen of gebruik maken van nagemaakte of vervalschte zegels van het Rijk is bepaald. (Zie omtrent het namaken of vervalschen van muntbilletten, art. 10, wet 26 April 1852, Stbl. 90.) |
| 140. Wie hetzij een of meer nationale zegels of stempels (timbres), hetzij de Staatskloppers dienende tot de boschmerken, hetzij den stempel of de stempels, dienende tot het keurmerken van goud of zilver, nagemaakt of vervalscht zullen hebben, of gebruik gemaakt hebben van valsche of vervalschte papieren , eflecten, zegelstempels, kloppers of keurstempels, zullen met dwangarbeid voor een tijd (tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens vijftien jaren) gestraft worden; waarvan in dit geval, altijd het hoogste (het maximum) zal worden opgelegd. | 140. Ceux qui auront contrefait ou falsifié, soit un ou plusieurs timbres nationaux, soit les marteaux de l'État servant aux marques forestières, soit le poinçon ou les poinçons servant à marquer les matières d'or ou d'argent, ou qui auront fait usage des papiers, effets, timbres, marteaux ou poinçons falsifiés ou contrefaits, seront punis des travaux forcés à temps, dont le maximum sera toujours appliqué dans ce cas. | |
| 141. Met het tuchthuis (van vijf tot tien jaren) zal gestraft worden, al wie zich op eene onbehoorlijke wijze meester gemaakt hebbende van de echte kloppers of stempels, dienende ten gebruike als bij art. 140 is uitgedrukt, daar eenig gebruik van gemaakt zal hebben ten nadeele van de regten of belangen van den Staat. | 141. Sera puni de la réclusion, quiconque s'étant indûment procuré les vrais timbres, marteaux ou poinçons ayant l'une des destinations exprimées en l'article 140, en aura fait une application ou usage préjudiciable aux droits ou intérêts de l'État. |