Deze pagina is proefgelezen
| Art. 9, wet 18 Sept. 1852, Stbl. 178. | — — Inzetting, aanvoeging of overbrenging van stempelmerken in, aan of op andere werken dan die, waaraan zij oorspronkelijk zijn aangebragt, staat, met opzigt tot de strafbaarheid, gelijk met het ten nadeele van de regten of belangen van den Staat gebruiken van echte kloppers of stempels, waarvan men zich op eene onbehoorlijke wijze heeft meester gemaakt. |
| 142. Die de merken, geschikt om van wegens de hooge regering de verschillende soorten van waren of koopmanschappen te merkteekenen, nagemaakt of van die valsche merken gebruik gemaakt zullen hebben; Die het zegel, den stempel, of het merk van eenigerhande gezagvoerend persoon of ligchaam, of van eenige bijzondere oprigting van bank of koophandel, nagemaakt of van de nagemaakte zegels, stempels of merken gebruik gemaakt zullen hebben; Zullen met het tuchthuis (van vijf tot tien jaren) gestraft worden. |
142. Ceux qui auront contrefait les marques destinées à être [apposées] au nom du Gouvernement sur les diverses espèces de denrées ou de marchandises, ou qui auront fait usage de ces fausses marques; Ceux qui auront contrefait le sceau, timbre ou marque d'une autorité quelconque, ou d'un établissement particulier de banque ou de commerce, ou qui auront fait usage des sceaux, timbres ou marques contrefaits, Seront punis de la réclusion. |
| Keiz decreet 5 Sept. 1810 (Rond. II, 543). |
— houdende bepalingen, strekkende ter voorkoming of bestraffing van het namaken der merken, die de fabriekanten bevoegd zijn op hunne goederen te stellen. |
| Kon. besluit 25 Dec. 1818, Stbl. 47. |
— waarbij een reglement op het stuk der merken door de verschillende pijpenfabrieken te bezigen, wordt gearresteerd. |
| Art. 33, Kon. besl. 1 Junij 1820, Stbl. 14. | — houdende maatregelen ter opbeuring der inlandsche fabrieken van lakens en andere wollen manufacturen. |
| Wet 18 Sept. 1852, Stbl. 178. | — omtrent den waarborg en de belasting der gouden en zilveren werken. Art. 13. Onverminderd de stempeling van ’s Rijks wege, is elk werkmeester verpligt alle uit zijne werkplaats voortkomende gouden en zilveren werken, met uitzondering van die, welke verkeeren in het geval bij het eerste lid van het vorig artikel voorzien, met den afslag te merken van een eigen stempel, waarvan hij zich te dien einde voorzien moet, en welke de aanvangletters van zijnen naam benevens een bijzonder, met goedvinden der ambtenaren van den waarborg door hem gekozen onderscheidingsteeken vertoonen moet. Dit merk, den verantwoordelijken Vervaardiger van het werk aanwijzende, draagt den naam van meesterteeken. Geen werkmeester mag het meesterteeken aannemen, volkomen gelijk aan dat van een zijner beroepsgenooten. De strafbepalingen van art. 142 en 143 van het Wetboek van Strafregt zijn mede toepasselijk op het namaken of het bedriegelijk gebruik der meesterteekenen. |